Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

“Ongerief, dat hoeft geen pijn te zijn”

“Ongerief, dat hoeft geen pijn te zijn”

Photographer:Fotograaf: Simone Golob

Na ‘labradorgate’, de uitleg van het UM-proefdierencentrum

MAASTRICHT Labradors! Als het nu nog pitbulls waren, of dobermann pinchers. Maar nee, zo’n beetje het meest aaibare hondenras stond (staat?) op de nominatie om hier bij de Universiteit Maastricht als proefdier ingezet te worden. Je hoeft geen radicale dierenactivist te zijn om medelijden met ze te hebben. En je hoeft ook geen verstokte demonstrant te zijn om te hopen dat er eindelijk eens andere methoden worden bedacht om de medische vooruitgang te dienenDoet de UM wel genoeg aan het ontwikkelen van alternatieven voor dierproeven? En houdt men zich aan de landelijke afspraken om openheid van zaken te geven? Twee ingewijden geven toelichting.

 

Dierenarts Barry Plooyer is hoofd van de centrale proefdiervoorzieningen (CPV). Saskia Seeldrayers is eveneens dierenarts en de proefdierdeskundige bij de CPV, die verplicht toezicht houdt op het welzijn van de dieren. Zo dicteert de Wet op de proefdieren.

Meteen aan het begin van het gesprek worden de piketpaaltjes geslagen. Plooyer: “We moeten wel afspreken dat er in het stuk geen namen worden genoemd, behalve de onze, want niemand hier mag in gevaar worden gebracht. En ook andere dingen die de veiligheid kunnen raken, daar wil ik eerst even naar kijken.” Oké.

De UM zegt van alles te doen aan het ontwikkelen van alternatieven voor dierproeven. Is dat ook echt zo?

Plooyer: “Vervanging, vermindering en verfijning, dat zijn de bekende drie V’s. Vervangen is: onderzoek doen zonder gebruik van dierproeven, terwijl je dat anders wel had gedaan. Dat gebeurt heel veel, en het neemt toe. Maar het probleem is dat het niet makkelijk zichtbaar is te maken. Want er worden onderzoekslijnen opgezet in celkweken, in computermodellen; waarbij niet eens gedàcht wordt aan de stap naar dierproeven. Neem de toxicologie. Vroeger was het klassieke model: een dier inspuiten met een bepaald stofje. Nu doe je dat in een celkweek. Dat het om een alternatief gaat komt dan ook nergens langs in de protocollen, niet van het onderzoek, niet van de DEC, de dierexperimentencommissie.”

Seeldrayers: “Je doet bijvoorbeeld een test naar nieuwe medicijnen. Het voorafgaande deel van het onderzoek komt niet in beeld als alternatief. Want je haalt in computersimulaties, of in cellijnen, de beste kandidaatmedicijnen eruit, en pas dan ga je testen op dieren. Maar” - Seeldrayers klinkt sceptisch - “je kunt je vervolgens wel afvragen hoe alternatief dat is. Want voor die celkweken heb je cellen nodig. En die haal je uit levende organismen. Voor een bepaald soort onderzoek dat hier veel wordt gedaan, naar de ontwikkeling van hartfalen, gebruiken ze rattenpups. Die worden geëuthanaseerd, dan halen ze die cellen eruit. Dan is de vraag: hoe alternatief is het alternatief? In Nederland, anders dan in de meeste Europese landen, telt trouwens het fokken en doden van dieren om er cellen of organen uit te halen, mee als dierproef.”

Plooyer: “Van Europa hoeft dat niet, maar in Nederland blijven we het zo doen. Het geeft je een beter zicht op de aantallen dieren die je gebruikt voor bepaalde doelen.”

Seeldrayers: “Het geldt voor een kwart van de 12.500 dierproeven in 2013 aan de UM. De echte experimenten vonden in vitro plaats, niet met levende dieren. Kijk, je kunt het onderzoek zien als een piramide. De basis is het ‘alternatieve’, proefdierloze onderzoek. Dan de fase – in principe, vaak is het niet eens een optie - van proeven met lagere diersoorten, naaktslakken bijvoorbeeld. Je noemt het pas officieel een dierproef bij gewervelde dieren.”

Plooyer: “In de nieuwe wet komen de koppotigen erbij, dus inktvissen.”

Seeldrayers: “Maar fruitvliegjes, muggen; dat heet geen dierproef. Muis, rat, zebravis, die wel. Als het middel dan werkt en veilig is, kom je bij de grotere dieren uit, want voor registratie van medicijnen moet je vooral de veiligheid aantonen, en de werkzaamheid. Dat moet bijna altijd in grotere dieren.”

Plooyer: “Die stap zit overigens eerder bij de farma-industrie dan in een academische setting. Het zijn ook geen grote aantallen, maar het moet wel. Pas daarna komen de klinische trials met mensen. Neem dat middel tegen Ebola, ZMapp, daarvan zeggen mensen nu: kijk, het wordt rechtstreeks uit het lab aan patiënten gegeven maar dat is niet zo, het is uitgebreid op apen getest, alleen de klinische trials worden nu overgeslagen.”

 

Vervanging van dierproeven, de eerste V, is er maar blijft dus grotendeels buiten beeld, zeggen beiden. Kijk echter naar de groeiende stroom onderzoeksdata en de gestaag afnemende aantallen dierproeven in Nederland, en de tendens is duidelijk. Van vermindering (de tweede V) is zeker sprake, mede door gerichter onderzoek.

Wat zijn precies de redenen daarvoor? Puur technisch? Of mijden onderzoekers het gedoe met commissies?

Seeldrayers: “In principe is onderzoek zonder dieren goedkoper, en beter reproduceerbaar. En inderdaad, er is geen ethische toetsingscommissie. Ik durf te stellen dat eigenlijk niemand zit te springen om dierproeven te doen. Die zijn bovendien ook wettelijk verboden als er alternatieve methoden zijn om tot dezelfde resultaten te komen.”

 

Dood in voorraad

De laatste tien jaar is er sprake van een verschuiving in de proefdierenwereld, zegt Plooyer. Steeds vaker gebruikt (en fokt) men bij voorkeur transgene knaagdieren, voornamelijk muizen, dieren met een genetische afwijking en een bepaald ziektebeeld dat op onderdelen vergelijkbaar met dat van mensen is. Daaruit worden vaak weefsels of cellen gehaald.

Met die fok hangt een ander fenomeen samen: ‘dood in voorraad’. Inderdaad,  het taalgebruik in deze sector is soms opmerkelijk. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de instantie die toezicht houdt op het proefdierwezen, schreef er vorig jaar een zorgelijk rapport over, want de aantallen groeien. In 2011 blijken in Nederland 530 duizend dieren te zijn gefokt en vervolgens gedood zonder in een dierproef te zijn gebruikt. Bijna 372 duizend daarvan waren muizen, waarvan de meeste genetisch gemanipuleerd. Ook in Maastricht gelden verontrustende cijfers: het aantal ongebruikte gedode proefdieren is even groot of overstijgt zelfs dat van de gebruikte dieren. Dat was voor de Anti Dierproeven Coalitie (ADC), de organisatie die de labrador-actie heeft opgezet, reden om met wat simpel optellen en delen ook hier weer een beschuldigende vinger uit te steken: de UM doodt per dag 75 dieren!

(Of “maakt ze af”, zoals de ADC het liefst zegt. Waarmee ze het omgekeerde doet van het gebruikelijke in proefdierland. Daar worden de dieren immers “geëuthanaseerd”.

Maar dat klinkt als een eufemisme.

Plooyer: “Nee, het is de normale term onder dierenartsen, gewoon een wetenschappelijke term, niets gekunstelds aan.”

Seeldrayers: “Of je zegt inslapen; ook geen eufemisme.”

Maar ze gaan niet slapen, ze worden gedood. Als jij ’s avonds inslaapt word je ’s morgens weer wakker.

Seeldrayers: “Ik slaap niet in, ik ga slapen. Als je inslaapt word je niet meer wakker.”)

 

Waarom is er zoiets als ‘dood in voorraad’, en waarom betreft het zo veel dieren dat de toezichthouder NVWA nu aandringt op maatregelen?

Plooyer: “Daar zijn meerdere redenen voor. In de fok heeft bijvoorbeeld niet elke nakomeling het gewenste genetische profiel, of het geslacht is voor de proef onbruikbaar. Daar kun je wel iets aan doen, door slimmer te fokken zodat je meer geschikte dieren krijgt, door af te stemmen met andere instituten. Bij ons houdt de fokcoördinator regelmatig gesprekken met alle mensen met transgene onderzoekslijnen.  Als je wat paartjes hebt om een bepaalde lijn in stand te houden wordt er niet zomaar op afroep ‘opgeschaald’. Dat gebeurt alleen bij een concreet, goedgekeurd onderzoeksplan: zo veel muizen zijn over drie maanden nodig. Eventueel worden embryo’s ingevroren om later weer in te zetten, zodat je een tijdje niet hoeft te fokken. En we dringen erop aan dat beide seksen worden gebruikt, dat doet de DEC ook. De onderzoeker moet daar uitleggen waarom hij alleen mannetjes of vrouwtjes kan gebruiken. Maar je moet van dit alles niet te veel verwachten, de ‘dood in voorraad’ gaat zeker niet terug naar nul.”

De ADC hamert ook op het ‘ongerief’ dat dieren moeten ondergaan. Sommige media meldden dat de labradors in de zwaarste categorie vielen, 5: veel pijn.

Seeldrayers: “Maar ‘ongerief’ hoeft geen pijn te zijn. Misselijkheid, of stress, dat is ongerief, - een uit het Engels vertaalde term, discomfort - maar geen pijn. Die labradors kregen code 5 vanwege het hartfalen, het energieverlies, niet wegens de pijn. Er zijn trouwens zes categorieën, geen vijf, van gering naar zeer ernstig ongerief. Dat laatste, code 6, komt bijna nooit voor. Als de onderzoeker dat verwacht – want je moet als onderzoeker eerst het verwachte niveau opgeven en later het werkelijke niveau rapporteren – heb je goedkeuring van de minister nodig. Dan heb je het over een situatie waarin pijnbestrijding vanwege het doel van het onderzoek niet mogelijk is, bijvoorbeeld bij langdurige gewrichtsontsteking.”

Plooyer: “Het streven is: zo min mogelijk ongerief. Dat is de verfijning in de dierproeven, de derde V. En het als zwaarder uitpakt dan voorzien, moet je stoppen met de proef. Daarvoor definieer je van te voren ‘humane eindpunten’ – zo heet dat, kunnen wij niets aan doen –, het moment wanneer een dier uit het experiment wordt gehaald.

En wat gebeurt er dan?

Plooyer: “Meestal worden ze doodgemaakt, euthanasie. Niet doden kan alleen als hergebruik mogelijk is. Maar de wet verbiedt hergebruik van dieren die ernstig ongerief hebben beleefd, code 5 of 6. Die mag je niet nog een keer blootstellen.  Knaagdieren zijn in de praktijk niet te hergebruiken, behalve soms dieren die levend uit een experiment komen, die kunnen bijvoorbeeld worden ingezet om onderzoekers te leren snijden, of bloed af te nemen.”

Seeldrayers: “Andere dieren kun je soms wel opnieuw inzetten, ooien die een keizersnede hebben ondergaan worden later wel gebruikt bij onderzoek naar ademhalingsstoornissen, met maximaal code 2 ongerief. Overigens zeggen die codes niet alles over het experiment. Zo is bijkomen uit anesthesie na een buikoperatie per definitie code 4: matig-ernstig ongerief. Dan kan het dier de volgende dag best geheel hersteld zijn en vrolijk rondlopen. Maar de hoogste code gedurende de hele proef geldt als eindcode, ook al heeft het dier 90 procent van de tijd code 1 gehad.”

 

Openheid

Het debat over dierproeven is niet nieuw, en het zijn niet alleen actiegroepen die aandringen op meer openheid. Daar is in de wetenschappelijke wereld gehoor aan gegeven. In 2008 publiceerden de wetenschapsacademie KNAW, de universiteiten in de VSNU en de gezamenlijke universitaire medische centra NFU een Code Openheid Dierproeven. De redenering in de code: wees open over dierproeven en de dilemma’s die ermee samenhangen, maak duidelijk waarvoor die proeven nodig zijn, ga actief de dialoog met de samenleving aan. “Het is de overtuiging van de ondertekenaars van deze code dat niet-vrijblijvende openheid bij zal dragen aan een verbetering van het maatschappelijk klimaat rond het gebruik van proefdieren”, heet het. Dat klinkt veelbelovend. Men dringt erop aan dat instellingen actief de boer op gaan, lezingen houden, debatteren, rondleidingen organiseren, publiceren waar het maar kan, in proefschriften expliciet aandacht geven aan dierproeven en de ethische aspecten daarvan, enzovoorts. Dat zou ook de wind uit de zeilen van de extremere dierenactivisten nemen, is de verwachting.

Dit is een document uit 2008 dat is ondertekend door de UM. Bij mijn weten gebeurt er weinig tot niets op dit terrein. Pas als er demonstranten op de stoep staan en ze een petitie organiseren verschijnt er een stuk op de UM-website met uitleg over, in dit geval, het onderzoek met de labradors.

Plooyer: “Dat ben ik niet met je eens. Een tijd terug is er een inventarisatie gemaakt waaruit bleek dat alle universiteiten de code naleven. Er zijn de DEC-verslagen, het proefdierkundig jaarverslag, allemaal openbaar via de UM-site.”

Maar zoveel staat daar ook weer niet in. Niet per onderzoeksproject, zoals die code wèl aanbeveelt. Daar moet je dan de Wet openbaarheid van bestuur voor inroepen.

Plooyer: “Een actief beleid om een open debat aan te gaan wordt ook bemoeilijkt door extreme activisten. Collega’s in het land zijn bedreigd tot in de huiselijke sfeer, daar zitten we natuurlijk niet op te wachten.”

De code dringt ook aan op openheid over investeringen in de huisvesting van proefdieren. Maar de besprekingen over het nieuw te bouwen Vivarium zijn zowel bij de faculteits- als bij de universiteitsraad zo lang mogelijk achter gesloten deuren gehouden.

Plooyer: “Daar weet ik niets van. Überhaupt moet je bij dit punt, het gaat over instellingsbeleid, de vergunninghouder om commentaar vragen, de CPV bepaalt het beleid niet.”

 

(Vergunninghouder Jos Smits reageert kort per e-mail. Hij verwijst naar de jaarlijkse DEC- en proefdierkundige verslagen: “Daar kun je best veel informatie uit halen en we proberen daarin ook volledige openheid te betrachten, uiteraard zonder in detail te treden. Het is zeker niet zo dat we de randjes van de Code proberen op te zoeken, maar soms moeten we prioriteit geven aan andere zaken, zoals de lawine van verzoeken om documenten in het kader van de Wob.”)

 

Plooyer: “Ik wil nog wel toevoegen dat wij als CPV rondleidingen geven aan studenten en scholieren, dat we mensen naar discussieavonden sturen, dus we doen echt wel wat.”

Uit eigen beweging?

Plooyer: “Nee, daar worden we voor uitgenodigd. Maar ik snap dat je het allemaal nogal mager vind, ook onze eigen CPV-verslagen; misschien kan dat inderdaad iets uitgebreider en duidelijker. Dat we bijvoorbeeld iets meer zeggen over de kritiek van de inspectie van vorig jaar, waarover we een brief naar alle onderzoekers hebben gestuurd en jullie in Observant hebben geschreven. Ze hebben overigens altijd wel iets, we nemen dat ook altijd serieus. En de nieuwe dierproevenwet komt met een goede aanvulling. Die schrijft voortaan een lekensamenvatting bij de projectaanvragen voor, een niet-technische samenvatting. De overheid gaat die publiceren, en wat mij betreft doen we dat ook op de UM-site. En wat de landelijke situatie betreft: die code komt mede van de KNAW. Ik vind dat de KNAW meer zou kunnen doen, een grotere rol moet spelen in het uitdragen van de noodzaak van dierproeven bij onderzoek.”

 

Nog één ding. In het proefdierkundig jaarverslag is sprake van afwijkingen van de gewenste praktijken door onderzoekers. Hoe kan dat, lappen die de regels aan hun laars, misschien onder het motto dat er toch al te veel bureaucratie is?

Plooyer: “Daar klagen ze inderdaad over en dat snap ik best. Maar al die regels zijn er om het systeem te borgen. Voor de dieren is het goed, al die regels. Het is ook niet zo dat onderzoekers ze moedwillig overtreden. Wij gaan uit van integere intenties. Vaak gaat het om zoiets als een extra bloedafname die niet in het protocol stond: dan wijk je al af.”

Seeldrayers: “Ik – en later ook de vergunninghouder - spreek eerst met ze, zeg dat ze de wet overtreden hebben. En dat het gevolgen kan hebben voor de hele instelling. Uiteindelijk kan de inspectie ervoor zorgen dat de vergunning wordt ingetrokken.”

Plooyer: “Daar schrikken ze meestal van.”

Vooral muizen en ratten

 

De meeste proeven aan de UM vinden plaats met muizen, vorig jaar bijna zevenduizend, en ratten, ruim vijfduizend. Daarmee was 96,5 procent van de dierproeven in 2013 afgedekt. De resterende 3,5 procent behelst het gebruik van konijnen, cavia’s, varkens, schapen, geiten en (het minste) 0,2 procent honden. In totaal ging het om zo’n 12.500 dieren.

De gegevens komen uit het proefdierkundig jaarverslag 2013. Precieze aantallen staan daar niet in, maar wat de honden betreft, gemiddeld zijn in de afgelopen tien jaar telkens circa veertig honden gebruikt.

Al met al hoge aantallen, maar de tendens is dalende, na een piek in de jaren 2009 en 2010 van bijna 15 duizend dieren in totaal. Voor ratten gaat die daling niet op, die worden juist meer gebruikt in een bepaald type experimenten.

Volgens de Wet op de dierproeven (op dit moment bij de Eerste Kamer in gereviseerde vorm om de wet aan te passen aan Europese regelgeving) kan een instelling een vergunning krijgen om dierproeven te doen. Bij de UM is het college van bestuur daarom formeel vergunninghouder, maar dat heeft de bevoegdheid gemandateerd aan prof. Jos Smits, farmacoloog en tegenwoordig ‘prodecaan onderzoek’ bij de FHML.

Voor dierproeven is toestemming nodig van de eigen dierexperimentencommissie (DEC). Onder de nieuwe wet wordt dat landelijk gecentraliseerd, er komt een centrale commissie dierproeven (CCD) die advies krijgt van de DEC’s.

 

Categories:Categorieën:
Tags:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)