Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

“Ik heb helemaal geen bijbanen”

“Ik heb helemaal geen bijbanen”

Hoogleraren Mohnen en Bijker: nummer één en twee UM-top tien van nevenfuncties

MAASTRICHT. De hoogleraren Pierre Mohnen en Wiebe Bijker staan met respectievelijk 32 en 28 bijbanen op de eerste en tweede plaats van de UM-top tien van nevenfuncties. Dat blijkt uit onderzoek van De Onderzoeksredactie dat eind november in De Groene Amsterdammer werd gepubliceerd. “Ik heb helemaal geen bijbanen”, zegt Mohnen. “Ik kom niet verder dan acht”, reageert Bijker.

“Hoogleraren houden bijbanen buiten beeld en voegen zich naar de wensen van de sponsor. Hoe onafhankelijk zijn onze universiteiten nog?” stond vorige week op de voorpagina van De Groene Amsterdammer. “Het professoraat is een merk geworden, de hoogleraar een geldgenerator”, staat verderop in het blad. Maar kloppen deze aantijgingen? De nummers een en twee van de UM-top tien van nevenfuncties beantwoorden in ieder geval niet aan dit beeld. 

Honderd procent hoogleraar

“Ik heb maar één baan, ik ben honderd procent hoogleraar. Alles wat ik doe gebeurt in het kader van mijn leerstoel. Ik verdien aan mijn nevenwerkzaamheden geen rooie cent.” Aan het woord is prof. Wiebe Bijker, hoogleraar Technology and Society aan de faculteit Arts and Social Sciences. Vorige week zette De Onderzoeksredactie, die onderzoek deed naar de bijbanen van Nederlandse hoogleraren en de resultaten in De Groene Amsterdammer publiceerde, hem op de tweede plaats in de UM-top tien van bijbanen. Hij zou er 28 hebben. “Ik moet er een beetje van giechelen”, zegt Bijker. “Je gaat toch aan goedbetaalde commissariaten denken.” Hij pakt zijn Engelstalige profielpagina erbij en begint te tellen. “Ik kom niet verder dan acht professionele nevenfuncties en die horen wat mij betreft allemaal bij mijn hoogleraarschap. Ik heb dus niet meerdere banen zoals de Rotterdamse hoogleraar pensioenwetenschappen Fieke van der Lecq die in het Groene-artikel aan het woord komt. Ik ben bijvoorbeeld voorzitter van de NWO-divisie WOTRO, dat kost me een dag per week. De universiteit krijgt voor die dag mijn salaris gecompenseerd. Alle bestuursleden van de gebiedsbesturen zijn hoogleraren. Verder ben ik onder andere bestuurslid bij het Rathenau Instituut, lid van de Gezondheidsraad, founding editor van Inside Technology, een internationale boekenreeks op mijn vakgebied bij MIT Press, en Distinguished Fellow aan de University of South Africa.”

De rest van zijn profielpagina (drie A4-tjes, meer dan vijftig ‘bullit points’) bestaat uit een lijst van tijdschriften waarvoor Bijker peer-reviews uitvoert of in de wetenschappelijke adviesraad zit (“heel weinig werk, af en toe bellen ze op voor advies”), een opsomming van wetenschappelijke organisaties waar hij lid van is, enzovoort. Waarom staan deze zaken ook op zijn profielpagina? Bijker: “In het Engels spreken we van ‘extra activities’ (de Nederlandse versie van de website spreekt van nevenwerkzaamheden, red.). Als een buitenstaander wil snappen wat een hoogleraar doet behalve artikelen schrijven en college geven, moet hij kunnen zien waarin ik me beweeg. Het laat zien hoe ik mijn vak invul. En het is ook niet geheel onschuldig. Omdat ik als peer reviewer werk en in adviesraden zit, heb ik ook invloed. Het is niet goed om dat te verstoppen, er zitten potentiële belangenverstrengelingen tussen. Als WOTRO-voorzitter moet ik bijvoorbeeld tekenen voor Veni-, Vidi- en Vici-toekenningen (subsidies van NWO, red.). Het kan zijn dat een kandidaat heel dicht bij me staat. Dit jaar was iemand die bij mij gepromoveerd is in de race. Ik houd me dan buiten de procedure en zet zelfs geen handtekening aan het eind van de procedure.” Grinnikend: “Ik moest in Observant lezen dat ze een Veni had gekregen.”

Zijn bijbanen een risico? “We willen graag dat de wetenschap en de maatschappij meer op elkaar betrokken raken. Maatschappelijke relevantie is belangrijk. In die trend past dat je actief bent buiten de muur van de academie. Maar tegelijkertijd moet de universiteit een onafhankelijke bron van kritische kennis blijven. Juist daarom zou het goed zijn als Nederland zich afvraagt of de ruimte van de eerste geldstroom (overheidssubsidie) niet gevaarlijk klein wordt. Hiermee kan echt onafhankelijke wetenschap bedreven worden. Misschien zit dat in een ivoren toren, maar dat mag. Er zijn genoeg andere geldstromen die de thema’s van het onderzoek veel meer sturen.”

Niets te verbergen

“Ik heb geen bijbanen”, concludeert prof. Pierre Mohnen als hij de lijst van 32 - door De Onderzoeksredactie samengestelde - activiteiten naloopt. Hij is voltijds hoogleraar Microeconometrics of Technical Change en werkt 20 procent van zijn tijd aan de School of Business and Economics en de rest bij UNU-Merit. “Ik spreek van een nevenfunctie als ik er geld aan overhoud, de rest van de taken hoort bij mijn hoogleraarschap.” Zijn lidmaatschap van bijvoorbeeld een Europese denktank onder leiding van rector Luc Soete, zijn lidmaatschap van Duitse en Canadese wetenschappelijke adviesraden, van een selectiecommissie van het Europese SEEK (Strengthening Efficiency and Competitiveness in the European Knowledge Economies) dat bepaalt wie subsidie krijgt en wie niet: het levert hem persoonlijk meestal geen euro of dollar op. Grote bedragen – denk aan onderzoeksubsidies – die hij binnenhaalt, gaan naar UNU-Merit. Netzomin als zijn redacteurschap van diverse tijdschriften. “Het kost uiteraard wel tijd, maar het is beperkt, in totaal niet meer dan een dag per week. Meestal is het nuttig voor je hoogleraarschap en de universiteit. Neem het onderzoek dat ik heb gedaan voor de Economic Council of Canada. Daar rolden publicaties uit die veel citaties opleveren.”

 

Los daarvan, zegt Mohnen, “er zijn dingen die je moet doen. Als NWO je vraagt om projecten te selecteren, dan zeg je ja. Het is een plicht en tegelijkertijd ook een eer.” En hoe kijkt hij tegen zijn toppositie aan op de UM-lijst? “Ik was verbaasd, moest er ook om lachen. Ik heb een tijd geleden ook alle contracten die ik ooit met centra heb gesloten, bijvoorbeeld om een project van een PhD-student te financieren, op het internet laten zetten. Onder het motto: ik heb niets te verbergen. Dat kan ik in de toekomst maar beter niet doen, want die contracten zijn nu meegeteld als nevenfuncties. Sommige dateren van tien tot vijftien jaar geleden.” Om grinnikend te eindigen: “Het mooie van de lijst is dat ik boven Wiebe ben geëindigd.”

Zooitje

De Onderzoeksredactie laat desgevraagd weten dat zij de profielpagina’s hebben “gescraped” en dat zij weten dat de cijfers niet altijd honderd procent betrouwbaar zijn. Vaak waren de internetsites “een zooitje”. “Wij hebben via een enquête onder 750 hoogleraren de uitslagen van het ‘scrapen’ getoetst. Daarnaast hebben we via een steekproef de uitkomsten gecheckt. Zowel uit de enquête als de steekproef kwamen dezelfde resultaten.” Ze blijven daarom bij hun conclusies dat lang niet alle hoogleraren hun nevenfuncties opgeven en dat er meer dan eens sprake is van belangenverstrengeling.

 

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)