Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

“Kom op Raymond, we hadden bepaald geen wiskundeknobbel”

“Kom op Raymond, we hadden bepaald geen wiskundeknobbel” “Kom op Raymond, we hadden bepaald geen wiskundeknobbel”

Photographer:Fotograaf: Maurice (boven) en Raymond Canisius/ Loraine Bodewes

Duopromotie eeneiige tweeling Canisius

MAASTRICHT. “De nieuwe gebroeders Anker, ja dat zagen we wel zitten, die waren vroeger ons voorbeeld.” Maar het strafrecht werd het niet. De broers Maurice en Raymond Canisius, geboren en getogen in Limburg, verdedigen volgende week woensdag 10 december hun proefschrift over winstuitkeringen in het BV-recht. Een duopromotie van een eeneiige tweeling.

Tien hoog, in kantorencolos De Colonel bij het NS-station. De deur van advocatenkantoor Thuis & Partners Advocaten gaat open, de gebroeders Canisius (25 jaar) steken hun hand uit en stellen zich voor. Maar afgeleid door hun gelijkenis zijn we binnen een paar seconden hun voornamen alweer kwijt – wie is nu wie? De twee ogen hetzelfde: zelfde grijze pak, baardje, lichtblauwe blouse, kapsel en bril. Zittend in de spreekkamer valt er iets op: een van hen draagt een pochet en een andere das. Zou dat Raymond zijn?
“Hoe spreek ik Raymond uit,” luidt de vraag, hopend dat Raymond gaat antwoorden.
Rémond, op z’n Frans”, zegt de jongeman mét pochet.
Oké, dat is ‘m. Niet meer vergeten.

Maurice: “De bril maakt het verschil.”
Raymond: “Nou, niet echt. Die van mij is recht aan de bovenkant, maar dat valt niet meteen op. Als ik ons zou moeten typeren dan is Maurice de wat meer – hoe zeg ik dat netjes – ruige variant.”
Ruig?
Raymond: “Ik heb een vriendin, Maurice is vrijgezel. Misschien is hij niet per se ruiger, maar ben ik klassieker.”
Maurice: “In onze studententijd was ik meer van het uitgaansleven dan mijn broer. Ik ben ook lid geweest van een dispuut, Silenus. Mensen die ons goed kennen houden ons uit elkaar, zoals hier op kantoor. Het wordt lastiger als je ons aan de telefoon hebt.”

De wieg van de broers Canisius stond in Brunssum. Maurice Canisius is de oudste, hij kwam dertig minuten eerder ter wereld. Het gezin verhuisde regelmatig, onder meer naar Nieuwstadt, Amstenrade en Heerlen. “We zijn echte Limburgers, daar zijn we trots op,” klinkt het.
Trokken ze nog meer naar elkaar toe door al die verhuizingen en verschillende basisscholen?
Raymond: “Als eeneiige tweeling ben je een beetje blind voor je omgeving, want je beste vriend staat altijd naast je. In die zin draagt het vele verhuizen daar misschien aan bij, maar ik denk dat we van nature veel naar elkaar toetrekken. We hadden zeker vriendjes, dezelfde. Die deelden we.”
Maurice: “Op de kleuterschool haalden ze ons met opzet uit elkaar, om onze ogen te openen voor de omgeving.”
Raymond: “In groep zes en acht ook. Maar wat was gescheiden? Ik zat hier en Maurice daar [wijzend naar de andere kant van de kamer]. Als we gingen plassen, telepathisch op hetzelfde tijdstip, dan kwamen we elkaar weer tegen. Maar ik moet toegeven – en dat zei mama ook altijd – dat het beter met ons ging als we bij elkaar in de klas zaten. Laten we niet schromen voor wat sentimentele elementen.”
Maurice: “Je miste mij gewoon [grinnikend].”

De tweelingbroers kozen op de middelbare school voor het profiel cultuur en maatschappij. Ze wisten dat ze een rechtenstudie wilden volgen, dachten dat een brede ontwikkeling goed zou zijn, hielden van kunst en cultuur.
Raymond: “Wiskunde? Daar hadden we niet zoveel mee.”
Maurice: “Kom op Raymond, daar hadden we bepaald geen talent voor.”
Raymond: “Maar we wisten het klaar te spelen om toch een voldoende te halen. Als het moest, dan deden we het, dan gingen we ervoor.”
Voor de twee heren was de middelbare school een “fantastische tijd”, in de klas zetten ze de boel op stelten. Ze voelden zich sterk, samen, als tweeling. En deed iemand iets fout, dan werden ze daar beiden voor aangepakt. Dan konden ze nakomen op vrijdag.
Vriendinnetjes, daar draaide het om in hun jonge jaren. Maurice, wijzend naar Raymond: “Jij had als eerste een vriendin. Ik weet het nog goed, met carnaval. Jij had gezoend met een meisje, en ik dacht: ‘Dat wil ik ook.’ Het meisje ging naar huis en dacht dat ik Raymond was. Daar heb ik natuurlijk gebruik van gemaakt.” En is het meisje hiervan op de hoogte? Maurice: “Nou, uh… daar hebben we geen contact meer mee.”

De broers hebben hun hele leven samengewoond, delen zelfs nu nog een appartement – iets dat voor het promotietraject, zeggen ze, en om financiële redenen handig was. Raymond: “Straks gaan we apart wonen.”
Twee zielen, één gedachte: ze vullen elkaar aan, maar hebben hun eigen kwaliteiten. Raymond blijkt meer gestructureerd, een planner, is formeler. Maurice produceert, zet veel op papier, is expressiever, overtuigender. Dat laatste kwam goed van pas in de herenmodezaak waar het duo vier jaar heeft gewerkt. De broers hebben hun eigen stijl, zien er van top tot teen verzorgd uit. Niet voor niets worden ze in de wandelgangen Victor & Rolf genoemd, naar het Nederlandse ontwerpersduo.
Maurice: “We hebben in de Stationsstraat bij Van Overeem Van Wissen gewerkt. De twee eigenaren zien ons als hun stiefzonen. Op een zaterdag – in mijn studententijd – liep ik er langs. Ik dacht: ‘Ik moet toch eens een colbert kopen’. In de etalage hing er een, afgeprijsd van €1300 voor €150. Ik naar binnen: ‘Voor €100 neem ik het jasje mee als je ook de mouwen korter maakt.’ Die vent moest zo lachen. Hij vroeg of ik er wilde komen werken. Ik zei: ‘Prima, maar dan neem ik mijn tweelingbroer mee, die kan dat ook wel.’ Het is een heel leuke wereld, champagne drinken en mooie spullen verkopen. Het verkopersvak hebben we daar geleerd. Commercie en advocatuur is een goede combinatie. Ondernemingsrecht is het rechtsgebied waarin je het meest commercieel bezig kunt zijn. Was het niet de advocatuur geworden, dan was ik een mooie herenzaak begonnen.”

Hun ouders scheidden in het jaar dat ze gingen studeren aan de Universiteit Maastricht. Onverwacht, een schok, zeggen ze, maar vooral voor hun kleine zus van tien jaar jonger. Het werd een studie in Maastricht, om dicht bij huis te zijn, bij hun zussen, hun “oogappels” – ze hebben nog een oudere zus die inmiddels 26 is.
Gezien hun aversie tegen smerige studentenhuizen, belandden ze in Sint Pieter, in het enige studentenhuis – dat weliswaar op instorten stond – aan de Henri Goovaertsweg, omringd door advocaten en tandartsen. Ze dronken er menig biertje mee in hun achtertuin.
Raymond: “Na een aantal maanden hadden we door hoe je het recht moet bestuderen, hoe het wetboek en de jurisprudentie in elkaar steken. We streefden altijd wel naar een hoog cijfer. Ik koos mijn onderwijsgroep zelf uit. Ik zocht Maurice op, of omgekeerd. Het liefst zaten we bij de blokcoördinator, die bracht er toch vaak de meeste diepgang in.”

Het was de Maastrichtse hoogleraar René de Groot die de tweeling attendeerde op de mogelijkheid van een duopromotie.
Maurice: “Hij zei: ‘Nou Canisius, wat ik nu toch heb gevonden, het schijnt dat eeneiige tweelingen samen kunnen promoveren op één proefschrift.’ Hij was razend enthousiast.”
Raymond: “We hebben nog gedacht over een baan in Amsterdam, bij een advocatenbureau op de Zuidas. Gingen we daar op een vrijdagmiddag heen, casual friday, iedereen in spijkerbroek en wij overdressed in ons flanellen pak. Ze lachten ons uit, maar het was een binnenkomer.”
Het werd geen advocatenbureau in de Randstad, maar academische verdieping, gecombineerd met een parttime baan bij Thuis & Partners Advocaten. Binnen anderhalf jaar lag er een proefschrift.
Is het ook dubbel zo dik?
Maurice: “Nee. Dat is een foute gedachte: veel tekst, lekker stoffig, dan zal het wel goed zijn. Wij denken dat hoe minder pagina’s je nodig hebt, hoe beter het wordt.”
Raymond: “We hebben ontzettend hard gewerkt. Er zitten meer dan zeventig weekenden in. Voor promoveren moet je alles laten. Ja, ik probeer mijn vriendin nu wat meer aandacht te geven.”
Maurice: “We hadden een deadline, een heel strak plan. Het was vermoeiend. Op het laatst konden we niet meer. Maar we hebben nooit gedacht aan stoppen. We hadden er van tevoren goed over nagedacht, wilden samen dit avontuur aangaan. Promoveren is een bepaalde manier van abstract denken. Het is mooi om met een klein gedeelte van het recht bezig te zijn. Onze promotor Kid [Schwarz, hoogleraar ondernemingsrecht] sprak van ‘het ontleden van een wetenschappelijke mier’.”

In maart gaan ze van start als advocaatstagiaires bij Thuis & Partners Advocaten, een partnerkantoor van het Institute for Corporate Law, Governance and Innovation policies van de UM (hier blijven ze als postdoc aan verbonden). Want juist die combinatie van de advocatuur en de wetenschap, het ondernemingsrechtelijke, vinden ze aantrekkelijk.
Raymond: “We willen een goede naam opbouwen, publiceren, lezingen gaan geven.”
Maurice: “Iedereen trekt weg uit deze regio, terwijl het juist zo’n interessant gebied is. Misschien hebben we hier geen Shell of Unilever, maar het MKB is de motor van de Nederlandse economie. Daar kun je heel erg mooi werk voor verrichten.”

Uitkeringen aan aandeelhouders in het nieuwe BV-recht

Maurice en Raymond Canisius schreven samen één proefschrift: ‘Uitkeringen aan aandeelhouders in het nieuwe BV-recht. Besluitvorming, vertegenwoordiging en vereenzelviging’. Voor een duopromotie gelden bepaalde regels. Zo moeten de promovendi separaat hun proefschrift verdedigen. Ook moet duidelijk zijn wie verantwoordelijk is voor welk hoofdstuk of welke paragraaf.
 

In hun onderzoek richten de juristen zich op de BV, een besloten vennootschap, een van de meest gebruikte rechtsvormen in Nederland. Op 1 oktober 2012 werd in Nederland de Wet flexibilisering en vereenvoudiging van het BV-recht ingevoerd, waarbij onder meer het minimumkapitaal van €18 duizend is vervallen. Want wie voorheen een BV wilde starten, moest minimaal dit bedrag op tafel leggen. Dat is nu niet meer nodig. Gunstig voor de startende ondernemer, maar niet zonder risico’s, zeker gezien de nieuwe, zogeheten uitkeringstest die daarmee samenhangt. Deze test laat, simpel gezegd, zien of het bedrijf het financieel aankan om winst uit te keren aan aandeelhouders. En het is in de herziene wet aan de bestuurder om te bepalen of hij uitbetaalt of niet.
Met andere woorden: er komt nogal wat op de schouders van de bestuurder terecht, want blijkt hij of zij geld te hebben uitgekeerd, terwijl het bedrijf financieel niet gezond is en de crediteuren niet meer betaald kunnen worden, dan is de bestuurder aansprakelijk. Met alle gevolgen van dien.
In hun proefschrift gaan Raymond en Maurice Canisius in op de rol van de bestuurder. “Er is onduidelijkheid over de winstuitkeringen en over de aansprakelijkheid. En die onduidelijkheid is ongunstig voor het vestigingsklimaat voor ondernemers. Als je naar de besluitvorming kijkt, zie je dat een bestuurder in beginsel niet aansprakelijk kan zijn voor het uitvoeren van een geldig dividendbesluit. Die aansprakelijkheid moet bij de aandeelhouders liggen, zij zijn de vertegenwoordigers van de vennootschap op dit punt.”
Wat het tweetal betreft moet de uitkeringstest worden geschrapt door de wetgever. “Subsidiair moet deze beperkt worden toegepast en alleen van toepassing zijn op de directeur-grootaandeelhouder [iemand die bestuurder is én een groot deel van de aandelen bezit in het bedrijf]. Meer subsidiair moet de uitkeringstest zeer restrictief worden geïnterpreteerd.”

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)