Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

Is het echt zo’n puinhoop, daar aan de Grote Gracht?

Is het echt zo’n puinhoop, daar aan de Grote Gracht?

Photographer:Fotograaf: Simone Golob en Joey Roberts

Portret van een faculteit in woelige tijden

MAASTRICHT. Wat is er aan de hand met de faculteit cultuur- en maatschappijwetenschappen, alias Fasos? Binnen een jaar vallen er zeven ‘gele kaarten’ van de nationale keurmeester NVAO (“een pak rammel, we zijn vreselijk geschrokken”, zegt een medewerker) en dan komen de verhalen. Die deels in alle openheid, deels letterlijk onder de deur door geschoven de Observant-redactie bereiken. Dat de faculteit verdeeld is in kampen, dat de staf op het randje van overspannenheid balanceert, dat de sfeer om te snijden is, dat men bang is om zich te uiten vooral omdat de bestuurscultuur top-down zou zijn, ga zo maar door. En ook dat het “eraan zat te komen”, dat het onderwijs al jaren wordt verwaarloosd.Wat is er waar van die verhalen? Is het echt zo erg, daar aan de Grote Gracht?

Zeven onvoldoendes  

“Dat we gele kaarten kregen, komt door mensen zoals ik”

Najaar 2013. Het oordeel van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) is snoeihard: zes van de zeven beoordeelde opleidingen presteren ondermaats en worden afgewezen. Blijft dat zo, dan draait de overheid de geldkraan dicht.

Het oordeel slaat in als een bom. De eerste reacties op de Grote Gracht wisselen tussen ongeloof, verzet en chagrijn. “We waren boos op de commissie, we hadden niet het gevoel dat we genoeg uitleg konden geven hoe we het hier doen”, zegt Sylvia Haerkens, die als beleidsmedewerker het herstelproces begeleidt.

Tannelie Blom, hoogleraar European Studies, is nog steeds kritisch: “Die commissie beoordeelt een European Studies-opleiding terwijl geen enkel lid daarvan ooit iets met ES heeft gedaan. Voor pgo geldt hetzelfde. Er zijn hier aan de UM altijd twee struikelblokken met externe commissies: het pgo en het interdisciplinaire. Men legt ons langs de meetlat van de eigen discipline, maar een historicus stelt andere eisen dan een politicoloog.”

Prof. Thomas Christiansen: “Ik heb in het Verenigd Koninkrijk en elders in Europa gewerkt. Ons academische jaar is het langste van allemaal, wij hebben de meeste contacturen. Ons programma is het grootste in Europa, wij groeien jaarlijks, terwijl elders de studentenaantallen teruglopen. En dan komt er een commissie van vijf mensen die denken dat ze het beter weten. Dat is absolutely outrageous.”

Er is ook andere kritiek op de commissie. Die impliceerde immers dat de faculteit wat te makkelijk, te lankmoedig was geweest bij de beoordeling van scripties. Helemaal niet, vindt historicus Ernst Homburg: “Je levert een mens af voor de samenleving, en dan moet je het proces beoordelen, de groeipotentie. Alleen naar het eindproduct kijken, dat is een neoliberale accountantsaanpak. Ik turf niet. Maar nu moeten we dus strenger zijn. Kijk, ik had een scriptie van iemand die een vrij gecompliceerd onderzoek had gedaan, met 17eeeuwse bronnen, en ik vond die een 7 waard. Alleen de theorievorming en de vraagstelling konden beter, maar dat werd gecompenseerd door de andere hoofdstukken. De tweede lezer echter gaf, onder druk van de kritiek van de commissie, een vijf. Daar kwam een derde beoordelaar bij die gelukkig een voldoende gaf. Het had ook anders kunnen lopen. Hoe dan ook, dat we hiervoor gele kaarten kregen komt door mensen als ik.”

Filosoof Maarten Doorman vult aan: “Ik zeg niet dat alle scripties zo goed zijn, maar de genade-zesjes, dat daar nu iedereen zo tegen is, dat klinkt heel flink, heel stoer. Maar hoe kan het dat je drie jaar een student opleidt die voor zijn scriptie met moeite een zes krijgt? Dan is er iets mis met je opleiding. En het komt vaak genoeg voor dat de student de stof best begrijpt maar het niet goed op papier krijgt. Daarvoor bestaat die genade-zes. Dat mag dus niet meer.”

Uitgeput

Later kantelde de sfeer in de faculteit. Misschien was het zo gek nog niet wat die visitatiecommissies zeiden. “Eerst schoten we in de verdediging”, zegt prof. Sjaak Koenis. “Maar niet alle scripties waren aan de maat. We hadden niet alleen het product maar ook het proces verdisconteerd in het cijfer.”

Volgens historicus Georgi Verbeeck was er meer aan de hand. Fasos had de omslag naar de bachelor-masterstructuur “niet helemaal goed verteerd. De bachelor werd een eindstation, daar waren we onvoldoende op voorbereid. Vóór de ba-ma vroegen we de studenten om een essay, daarna om een academisch werkstuk. Dat vergt een andere aanpak. De beoordelingscommissie heeft ons eindwerk beoordeeld met criteria waarop we niet waren voorbereid.”

Erger is, zeggen weer andere stafleden, dat de faculteit gewaarschuwd was. Al in maart 2008 trekt een groep van zeven docenten van de opleiding cultuurwetenschappen (CW) aan de bel. In een brief aan het faculteitsbestuur schrijven ze dat de werklast “een kritische grens” heeft bereikt door “de toenemende regeldruk” en “de forse bezuinigingen op de onderwijsuren in de afgelopen jaren”.

De docenten verliezen het vertrouwen in de faculteit, voelen zich uitgeput, overspannen en niet gewaardeerd. Ze protesteren tegen de uitholling van het onderwijs. Kwalitatief goed lesgeven is nauwelijks meer te doen in de uren die ervoor staan, vinden ze. Feedback op papers en scripties schiet erbij in en gebeurt meer dan eens via e-mail. Ze beleefden het onderwijs meer en meer als “een sluitpost, vooral goed voor losers”.

Wat het (interdisciplinaire) onderwijs absoluut geen goed heeft gedaan, aldus de critici, is het schrappen van de overlegstructuren als jaar- en planningsgroepen. Blokken werden ‘eenmanszaken’ van docenten, zegt toenmalig opleidingsdirecteur Pieter Caljé. “De meeste zijn weliswaar goed beoordeeld door de accreditatiecommissie, maar het cement tussen de blokken verdween. En dat eist natuurlijk zijn tol in de begeleiding van interdisciplinaire scripties.” Caljé tekende de klachten in een notitie op en stuurde die naar het faculteitsbestuur. Er is helemaal niets mee gedaan, zegt hij. “Frustrerend.”
Decaan Rein de Wilde: “Dat klopt niet, we hebben erop gereageerd binnen de mogelijkheden die we hadden. Misschien was dat achteraf beschouwd te weinig. Maar ik deel ook niet al zijn conclusies. Onderwijs was in die tijd geen sluitpost, is dat ook nooit geweest. De normuren waren in die tijd niet zo laag, zeker niet in vergelijking met andere faculteiten.”

In diezelfde jaren verschoof bovendien het accent van onderwijs naar onderzoek, naar het binnenhalen van subsidies. “Dat leidde uiteindelijk tot scheefgroei”, concludeert letterkundige Jan de Roder. Op zich was dit niet uniek voor Fasos. Toenmalig UM-collegevoorzitter Jo Ritzen koerste in de richting van een researchuniversiteit. De Wilde zag de noodzaak daar wel van in, al was het maar om aantrekkelijk genoeg te zijn voor goede nieuwe stafleden.

Noodklok

Toch ondervindt Fasos al snel de schaduwkant van die scheefgroei. In december 2008 luidden drie opleidingscoördinatoren (onder meer van de bachelor European Studies) zelfs de noodklok in een brief aan het faculteitsbestuur. Senior-stafleden blijken namelijk steeds meer tijd te besteden aan het schrijven van onderzoeksvoorstellen voor subsidie, waarmee ze zich ‘uitkopen’ uit het onderwijs. Het gevolg: een groot gebrek aan scriptiebegeleiders. De coördinatoren zijn genoodzaakt om net afgestudeerde masters in te zetten. En dan, schrijven ze: “Zoals jullie je allemaal realiseren, voor de externe beoordelingscommissies die onze programma’s onder de loep leggen, is de kwaliteit van de bachelorpapers en masterscriptie een belangrijk onderdeel van beoordeling.” Het zullen profetische woorden blijken.

De Wilde geeft toe dat hij eerder werk had moeten maken van de herbeoordeling van de scripties. “Ik wist al in 2011 dat ze in de accreditatie zwaar mee zouden wegen.” Overigens bestrijdt hij dat de onvoldoendes van de NVAO met meer onderwijstijd of met meer geld te voorkomen waren geweest: “We hadden onze jonge docenten moeten scholen in het begeleiden en beoordelen van scripties. Ook hadden we onze onderwijskundige niet moeten wegsturen.”

 

Angstcultuur  

“Ik werd bij de decaan op het matje geroepen”

Niet alleen in het onderwijs wringt het, ook de sfeer in de faculteit zou te wensen overlaten. Er heerst zelfs, zo beweren bronnen, een angstcultuur. Klopt dat? “Ik weet uit eigen ervaring dat openlijke kritiek niet op prijs wordt gesteld. Ik werd na publieke uitspraken bij de decaan op het matje geroepen. Ik heb mijn lesje geleerd.” Aan het woord is een buitenlandse onderzoeker die alleen op basis van volstrekte anonimiteit wil praten. Hij is een van de jonge stafleden die door de redactie werd benaderd voor een interview. Een ander: “Ik ben bang dat wat ik zeg tegen me kan worden gebruikt en mijn carrière zal schaden.” Op de vraag of dit wel een reële angst is, somt betrokkene namen op van kritische (inmiddels oud-) medewerkers die naast een tenure track-positie (vaak de opmaat naar een vaste aanstelling) visten.

Decaan Rein de Wilde luistert met verbazing naar dit relaas. “Ik kan me dit voorval met die jonge onderzoeker niet herinneren, maar ik heb ook geen geheugen voor dit soort zaken. Misschien heb ik er te weinig oog voor dat een opgetrokken wenkbrauw of een opmerking mijnerzijds grote impact op sommige stafleden kan hebben. We zijn snel gegroeid, zijn heel internationaal geworden en hebben medewerkers met verschillende culturele achtergronden; we kennen de academische mores uit hun land van herkomst niet altijd goed.” Over één zaak is hij zonneklaar: “Mensen hoeven niet bang te zijn. Als medewerkers denken dat we stafleden benadelen omdat ze kritisch zijn; kom het zeggen.”

Onrust

De overgrote meerderheid van de geïnterviewde senior-staf lijkt geen last van enige angst te hebben. “Ik zeg wat ik vind, recht in iemands gezicht”, verklaart Nico Baakman, universitair docent politieke wetenschappen en bekroond als zowel facultair als universitair docent van het jaar. Ook Tsjalling Swierstra, hoogleraar filosofie en voorzitter van de gelijknamige vakgroep, is “niet bang voor zijn bazen. Maar wat kunnen ze je ook doen als je een vaste aanstelling hebt?” Georgi Verbeeck, waarnemend voorzitter van de vakgroep geschiedenis heeft juist de indruk dat “je hier alles kunt zeggen”. De Roder en Koenis bevestigen dat, net als Pia Harbers, studieadviseur en voorzitter van de faculteitsraad, “ik zit nu in totaal zeven jaar in de faculteitsraad en heb nog nooit meegemaakt dat iets niet bespreekbaar was, noch dat iemand achteraf gestraft is vanwege uitspraken in de vergadering.”

Maar zijn de geruchten dan onzin? Nee, reageren de senioren vrij eensgezind. Met name onder junior-onderzoekers op tijdelijke contracten heerst een “existentiële onrust”, zoals prof. Wiebe Bijker het noemt. “Ik vind het slecht om het een angstcultuur te noemen. Daar spreek je van als je op een stiekeme manier door een meerdere wordt bestraft.” Historicus Frank Huisman, een van de voormannen van Science in Transition, en Nico Baakman gebruiken wel het woord angst. De combinatie van een “krankzinnige” (Baakman) werkdruk, een ongemeen hoge onderwijslast en het besef dat uiteindelijk het onderzoek - waar de jonkies nauwelijks aan toekomen - bepalend zal zijn voor de verdere academische carrière, maakt deze groep heel kwetsbaar. Huisman: “Ze lopen in een fuik.” Baakman: “Ze kunnen het zich niet permitteren om te klagen.”

Maar volgens Thomas Christiansen hoort onzekerheid er in die eerste jaren van een wetenschappelijke carrière nu eenmaal bij. “Ikzelf ben vijf keer van land veranderd om een vaste baan te kunnen krijgen. Elders is het niet beter. Sterker, er is geen beter systeem dan het Nederlandse: tough but fair. In Duitsland ben je of assistent of professor voor het leven, dat kweekt een ambtenarenmentaliteit. In de Angelsaksische wereld heerst een wildwest-cultuur.”

Heidi Maurer, die als teaching assistent startte bij de faculteit en is opgeklommen tot universitair docent bij de vakgroep politieke wetenschappen, vindt zichzelf het levende bewijs dat een kritische houding je carrière niet hoeft te blokkeren. “Ik heb me nooit beperkt gevoeld, altijd gezegd wat ik wilde. Ik voel me veilig. Daar zorgt mijn vakgroepsvoorzitter Sophie Vanhoonacker voor. Maar ik kan ook altijd met de decaan over zaken praten. Ik denk niet dat ik met mijn kritische houding op andere universiteiten deze kansen had gekregen.” Prof. Tannelie Blom kan haar houding alleen maar toejuichen: “Een promovendus die zich niet durft uit te spreken, ook niet over universitaire politiek? Dat moet je als hoogleraar eruit slaan, dat is je verantwoordelijkheid. Het zou erg saai en vervelend worden met promovendi die alleen ja en amen zeggen.”

Moordende competitie

Niet alleen een kritische houding zou belemmerend werken, er is ook nog eens sprake van vriendjespolitiek bij de verdeling van de tenure track-plaatsen, opperen twee junioren die anoniem willen blijven.

Iemand als Ties van de Werff, aio bij de vakgroep wijsbegeerte en betrokken bij het platform Hervorming Nederlandse Universiteiten (H.NU), spreekt dat weer tegen. “Ik heb nog nooit meegemaakt dat iemand niet is bevorderd vanwege zijn kritiek. Maar inderdaad, soms krijgen goede mensen geen tenure track aangeboden. Maar zij die het wel worden zijn ook altijd goed. De competitie is moordend. De commissies kunnen alleen uit goede wetenschappers kiezen.”

Ook De Wilde werpt de verwijten verre van zich. “Er vallen mensen af, ja. En ja, de commissies, met alle vakgroepsvoorzitters en ikzelf erin, zijn ook feilbaar. Maar wij zoeken naar de beste match, je moet passen in de faculteit, je thuis voelen bij het pgo, het werk aankunnen en goed zijn. Wij kijken echt niet alleen naar het onderzoek, al is het wel belangrijk. Een faculteit is als een orkest, je hebt solisten, mensen voor het slagwerk, enzovoort.  De procedures kan iedereen opvragen. De laatste vier jaar – ik heb het dan over zo’n twintig banen – was er altijd consensus over de verdeling van de tenure tracks.”

 

Werkdruk  

"De studenten zijn veeleisend, soms arrogant, soms zelfs ronduit ‘bully’-achtig”

“Iedereen is erg moe”, zegt universitair docent mediastudies Karin Wenz. De werkdruk was al groot en is alleen maar erger geworden na de gele kaarten en de extra inspanningen om de zaken weer recht te trekken. “Mensen zijn kribbiger, en ik hoor van de secretaresses dat er meer thuis wordt gewerkt omdat men geen tijd en zin heeft om naar de faculteit te komen”, zegt historicus Joop de Jong. Er klinken ook andere geluiden. Van de Werff bijvoorbeeld wijst op het ‘voordeel’ van de gele kaarten: “Er is veel ruimte voor vernieuwing.”

Het steeds verder uitdijende woud aan regels en bureaucratie is iedereen echter een doorn in het oog. De Jong: “Vroeger gaf je bij een examen een cijfer en schreef je je commentaar in de marge. Nu is daar vaak een apart feedbackformulier voor dat je ook nog eens op een speciale manier moet archiveren. Allemaal extra werk. Rond roosters is er ook veel extra gedoe.”

Decaan De Wilde is verbaasd: “We hebben de archivering juist zo ingericht dat docenten oude gewoontes als het schrijven in de marge niet hoeven op te geven.” Al zijn die marges beperkt, geeft hij toe. “Hoe je toetsen moet archiveren is wettelijk geregeld, hoe je met scripties omgaat is overal in Nederland hetzelfde. Kijk, wij verzinnen dat niet, die regels komen van de NVAO, ze worden ingevoerd vooral onder druk van de studentenbonden, die willen alles in regels ondervangen. We hebben nu speciaal een onderwijskundige aangesteld om het allemaal in goede banen te leiden. Het past in de neiging tot steeds meer controle, op allerlei terreinen. En als je niet meedoet, krijg je als opleiding een onvoldoende.”

De decaan wijst daarnaast op de groeiende druk vanuit de studenten op de staf. “Ze onderhandelen over cijfers, dreigen met officiële klachten, met rechtszaken zelfs. We hebben nu workshops over hoe je een feedbackformulier goed en robuust kunt invullen, zodat de studenten minder gemakkelijk (kunnen) gaan klagen.” Weerbaarheidstrainingen dus. Niet overbodig, meent een staflid: “De studenten zijn veeleisend, soms arrogant, soms zelfs ronduit ‘bully’-achtig.” En Thomas Christiansen: “Ik onderhandel niet over cijfers, als ze erover beginnen vraag ik of ze soms vinden dat ik mijn werk niet goed heb gedaan.” De manier waarop hij erbij kijkt maakt duidelijk dat studenten dan wel zullen terugkrabbelen, maar, zegt Christiansen, “jongere collega’s hebben er moeite mee om zich zo op te stellen”.

Wiebe Bijker zou dit heel graag aanpakken: “We houden elkaar in de verantwoordingscultuur bij de hand en glibberen langzaam van een gladde ijsberg af naar een cultuur waarin studenten elke week feedback krijgen in plaats van te studeren. Wat mij betreft schaffen we met een grote schok alle herkansingen, tussentijdse toetsen en veel van de bestaande formulieren af, en gaan we weer gewoon studeren. De docent krijgt weer de volle verantwoordelijkheid.”

Normuren? Lachertje!

De normuren (hoeveel tijd krijgt een staflid voor een tutorschap, het nakijken van een bachelorscriptie, een college, etcetera), zijn een andere bron van algemene ergernis. Een paar kwalificaties: een “lachertje”, “schaamteloze fictie”, “compleet niet reëel”, “we werken ons de pokken” en  “slavenarbeid”. Ook hier trekt het jongere, minder ervaren staflid aan het kortste eind. Tsjalling Swierstra: “Zij moeten dubbel zo hard werken want voor hen is alles nieuw.” Zijn collega Tannelie Blom: “Zij hebben nog niet de routine die wij hebben. Op een gegeven moment ken je alle relevante literatuur op een bepaald gebied, zij nog niet. Dan kijk je een scriptie anders na dan jongere medewerkers, voor hen is het zwaarder.”

Aio Van de Werff beaamt dit. “Die lage normuren maken misbruik van mijn loyaliteit.” Zijn probleem wordt in de faculteit erkend, ook door het faculteitsbestuur, en al vóór de Nieuwe Universiteit opkwam. “Ik kan alleen maar hopen op het nieuwe beleid [de faculteit kondigde vorige zomer een pakket van maatregelen aan– kosten 1,2 miljoen in drie jaar – om de werkdruk op korte termijn verlagen, red.].”

Frontlinie

“De junioren doen het zware onderwijswerk en ruïneren zo hun carrière. De senioren leunen achterover”, moppert een anoniem jong staflid. “Zij staan niet in de frontlinie, weten niet wat er speelt. En dus krijg je problemen. En gele kaarten. Als er ergens anders een baan voorbijkomt - die kans is niet groot op de huidige arbeidsmarkt - ben ik weg. En met mij vele anderen”, benadrukt hij. Intussen doet hij zo veel mogelijk onderzoekswerk in het buitenland. Weg van de onderwijslast.

De druk van het onderwijs komt tijdens sollicitatieprocedures altijd aan de orde, zegt Heidi Maurer die weet dat haar faculteit een gewilde werkplek is voor buitenlandse collega’s. “Zij zien ons op conferenties, merken dat de sfeer goed is. Bovendien is onze reputatie prima, mede vanwege de alumni die het elders goed doen.” Ondanks de waarschuwing valt het onderwijs menigeen rauw op z’n dak. “Mensen zijn teleurgesteld en gaan klagen. Het is ook hard werken”, aldus Maurer, “maar je wordt serieus genomen, krijgt een goed salaris en bent deel van de gemeenschap. Ook de PhD’s. Ik heb in Wenen gewerkt en kan vergelijken. We vergeten soms hoe goed het hier is. Als je eenmaal doctor bent, krijg je veel kansen. Je moet alleen niet te lang op een pure onderwijsbaan zitten, dan stokt je carrière.”

En natuurlijk, erkent Maurer: er zijn veel gepromoveerden en maar weinig vervolgbanen. Ties Van de Werff, in de laatste fase van zijn promotietraject: “Ik heb een huis, net een baby gekregen. Ik zou heel graag blijven. En dat vind ik niet alleen. Als ik ex-collega’s tegenkom die elders in de academische wereld aan de slag zijn, dan hoor ik altijd hetzelfde: ze missen de openheid en collegialiteit van ons. Dat mag ook wel eens gezegd worden.”

 

Bestuurscultuur  

Laat me niet lachen, hoezo top-down hier in Maastricht!”

Het zoemde door de faculteit als het verhaal van een ‘overval’. Dat er bij de vakgroep geschiedenis een hoogleraar was gedropt zonder dat iemand in die groep daar ook maar van op de hoogte was. Dat bovendien het vakgebied van die man nogal ver afstaat van de betrokken discipline. The Invasion of the Body Snatchers, klonk het cynisch. En dat dat alles een typisch voorbeeld is van hoe tegenwoordig de faculteit wordt geregeerd: óver ons maar zònder ons, top-down.

Wat was er aan de hand? Het klopt dat een deel van de vakgroep geschiedenis afgelopen februari overvallen werd door de mededeling dat er een hoogleraar bijkwam: de Amerikaanse techniekhistoricus Cyrus Mody, een deskundige op het gebied van nanotechnologie. Men had wel iets over de man gehoord, hij had al een openbaar college gegeven, maar sinds wanneer was er een plek vrij bij de vakgroep? Waarom was dat niet netjes vooraf besproken?

Ernst Homburg, eveneens techniekhistoricus, was wèl op de hoogte. Hij legt uit dat het om de opvolging van de vertrekkende facultaire coryfee Wiebe Bijker (64) gaat. “Decaan Rein de Wilde heeft slim onderhandeld met het college van bestuur en er twee plaatsen uitgesleept. Voor het evenwicht tussen de groepen komt deze post dan bij ons, bij geschiedenis. Een aantal mensen was daar kennelijk niet van op de hoogte.”

Hij tilt er niet al te zwaar aan maar heeft, achteraf, toch wat gemengde gevoelens over de procedure: “Voorheen maakte je bij hoogleraarsbenoemingen altijd eerst een profielschets, dat werd dan in de faculteit besproken, dan kwam er een advertentie. Nu zijn er steeds meer benoemingen zonder profielschets. Het is al langer aan de gang, en elegant is het niet. Maar om in dit geval van een coup te spreken klopt echt niet. En verder is Mody een heel goede keuze.”

Rein-kamp

Intussen is de opwinding alweer wat weggeëbd. Betrokkenen spreken sussend over communicatieproblemen, mede veroorzaakt doordat de echte vakgroepsvoorzitter langdurig in het buitenland zit en zijn plaatsvervanger ook niet van alle ins en outs op de hoogte was. Dat klinkt aannemelijk. Wat ook zeker een rol speelt, is het kennelijke gebrek aan regelmatige communicatie tussen de vakgroepsleden onderling.

Maar waarom deze ongebruikelijke gang van zaken? Decaan De Wilde wil daar desgevraagd niet op reageren: “Het heeft een triviale reden dat het zo ging, die ga ik nu niet vertellen, het betreft iets persoonlijks. Maar als mensen deze gang van zaken absurd vinden, waarom komen ze dan niet langs om het gewoon te vragen?”

Dat dat niet gebeurt, zegt misschien iets over het bij sommigen heersende cynisme jegens deze decaan en wat als zijn entourage wordt beschouwd. Het ‘Rein-kamp’, noemt een enkeling dat dan. Iets wat overigens niet of nauwelijks wordt herkend door de meeste zegslieden, net zo min als de beweerde verdeling van de faculteit in kampen. “Wie dan, waar dan?”, klinkt het meestal.

Nog een mogelijkheid: mensen zijn beducht voor De Wildes boze uitvallen. Tannelie Blom grinnikt: “Ach, als hij zo doet zeg je ‘ho, easy, Rein’ en dan bindt hij wel weer in. Er zijn meer bestuurders die zo nu en dan uit hun slof schieten. Dan moet je je niet te veel als een watje opstellen, niet alleen klagen.”

De decaan zelf wil best de hand in eigen boezem steken: “Ja, ik kan uit mijn slof schieten, dat is een zwakte van me. Ik probeer het altijd weer te repareren.”

Is er, los van alle persoonlijke humeuren, inderdaad sprake van een top-down bestuursstijl in de faculteit?

Dat gevoel is vooral terug te vinden aan de cultuurkant van de faculteit. Joop de Jong: “Niet dat hier nooit geluisterd wordt, maar verbetering is mogelijk”, oppert hij voorzichtig. Ernst Homburg beaamt dat: transparantie, democratisch gehalte, het kan allemaal beter. De nieuwe decaan, Sophie Vanhoonacker, mag wat hem betreft “wat transparanter optreden, meer in interactie”.

Toch heeft decaan De Wilde het wat hem betreft niet slecht gedaan. “Hij heeft visie op de universiteit, heeft denk ik gezag in het college van decanen, en hij heeft het onderzoeksbeleid op poten gezet.”

Maar een voorbeeld hoe het niet moet, vindt Homburg in de manier waarop de herstelplannen na de ‘gele kaarten’ zijn opgesteld: “Dat was paniekvoetbal, dingen zijn te snel besloten. Voor een groot deel van de staf was dat een beetje een overval, het bestuur heeft het met een kleine groep gedaan, maar voor zoiets is een veel bredere consultatie van de vaste staf nodig, dan creëer je draagvlak. Deze procedure is ervaren als top-down.”

Decaan De Wilde hoort het met opgetrokken wenkbrauwen aan: “Als iets breed besproken is, dan zijn het wel de herstelplannen. In de opleidingscommissies, een bijeenkomst in de Turnzaal met de hele staf, een update bij de jaarlijkse onderwijsdag, per opleiding met programmacommissies en betrokken docenten, ga zo maar door.”

Karin Wenz, coördinator van de master mediastudies, bevestigt dat er rond de herstelplannen haast geboden was: “Bij mediastudies hadden we twee maanden om nieuwe voorstellen te maken. Dan houd je extra vergaderingen maar ja, niet iedereen kan daar altijd bij zijn.”

Er is geen top-down aanpak; de decaan ontkent het in alle toonaarden. Anderen vallen hem daarin bij. Bijvoorbeeld Tannelie Blom, een der bouwers van de opleiding European Studies: “Zoals dat dat in die vakgroep geschiedenis ging met Mody, dat vind ik gek. Maar top-down bestuur? Wat moet ik me daarbij voorstellen, dat bij ES de coördinatoren van alles tegen ons brullen? Als een stel autoritaire ballen? Haha, ben je gek, dat gebeurt echt niet. En ook Rein de Wilde werkt zo niet.”

Hoe zit het dan met dat aparte exquise clubje, het hooglerarenoverleg dat door de decaan in het leven is geroepen, los van alle formele facultaire organen? Daar was de benoeming van Mody al ruim aan de orde geweest, meldt Ernst Homburg.

Blom: “Dat is een informeel overleg, besluiten vallen er niet, we worden er op de hoogte gehouden. Er is ook een overleg van de vakgroepsvoorzitters, die rapporteren weer terug in de

vakgroepsvergadering. Ik zie het probleem niet zo. Vergeet ook niet dat de universiteit en dus ook de faculteit hiërarchisch georganiseerd zijn. Rein moet vaak doen wat het college van bestuur zegt, of zelfs de minister. Hij is, als decaan, binnen de faculteit in laatste instantie verantwoordelijk, hij moet de beslissingen nemen, dat is een normale gang van zaken.”

Boemerang

Blom is lang niet de enige die er zo over denkt. Velen vinden dat er genoeg overlegd en vergaderd wordt bij Fasos, eerder te veel dan te weinig zelfs. En vraag het aan Duitse docenten (Karin Wenz, Thomas Christiansen), dan wijzen ze enigszins spottend op de cultuur waaruit ze voortkomen: laat me niet lachen, hoezo top-down hier in Maastricht! Christiansen doet er nog een schepje bovenop: “Ik zou sterker leiderschap willen. Er zijn te veel commissies, er gaat te veel tijd in overleg zitten.”

Beleidsmedewerker onderwijs Sylvia Haerkens, ooit student bij Fasos, kwam uit het bedrijfsleven toen ze zes jaar geleden terugkeerde naar de faculteit, nu om er te werken: “Dat was een cultuurshock. Ik schreef een beleidsstuk, dat ging door tien gremia en werd continu aangepast. Dus nee, niet top-down, juist heel open en democratisch.”

Hoe het ook zij, er heerst ontegenzeggelijk onvrede bij – op zijn minst – een deel van de staf. Onvrede die men kennelijk niet kwijt kan via de vertegenwoordigende organen. Dat heeft deels een structurele achtergrond, analyseert Joop de Jong: met de invoering van de zogenoemde ‘modernisering van het universitaire bestuur’ (MUB) in 1997 kregen de raden minder te zeggen, verloren daarmee aan aanzien en wisten vervolgens minder zwaargewichten aan te trekken. De Jong: “Als de faculteitsraad dan ergens ‘ja’ tegen zegt komt er toch verzet, want ‘in de F-raad zitten geen mensen uit mijn programma’, hoor je dan.”

Het is een verwijt dat als een boemerang op de staf zelf terugslaat, erkent hij; men had zich immers kandidaat kunnen stellen. “Het is een te gemakkelijk verwijt. De faculteit moet hier naar zichzelf kijken.”

 

Ondersteunend personeel

“Maar het kan toch niet zo zijn dat je altijd het juiste besluit neemt?”

Nog even terug naar de sfeer in de faculteit, en met name dat wat als angstcultuur wordt betiteld. Want die zou niet alleen onder de jongere wetenschappelijke staf heersen, maar zeker ook onder het ondersteunend personeel (obp), bij het bureau van de faculteit. Observant kreeg meldingen, deels anoniem en zelfs via een brief onder de deur van de redactie, waarbij de beschuldigende vinger naar de vorige directeur van Fasos wees, André Koehorst. Hij zou verantwoordelijk zijn voor een sfeer van willekeur, waarbij medewerkers onder druk werden gezet en soms het zwijgen werd opgelegd, functies zomaar werden veranderd, mensen er zelfs zonder pardon uit werden geknikkerd. Een verkeerde opmerking, een mail die kennelijk slecht valt “en dan wordt er ineens gezegd dat je zelf slecht functioneert en kom je in een neerwaartse spiraal. Dat is waar die angstcultuur vandaan komt: dat je bij het minste of geringste de laan wordt uitgestuurd”, zegt een medewerker die intussen vertrokken is maar zich na een lang dienstverband “uitgespuugd” voelt. En in de anonieme brief rept men van “een angstige sfeer, lagere arbeidssatisfactie en motivatie, een verhoogd ziekteverzuim”. Wat dat laatste betreft: de meest recente verzuimcijfers, over 2013, laten zien dat Fasos beter dan een aantal andere faculteiten scoort en ook onder het UM-gemiddelde ligt.

Vooral één kwestie springt eruit, die van een medewerker die, behept met een tamelijk kritische geest, na jaren ineens met ontslag werd bedreigd en op non-actief werd gesteld inclusief een gebouwverbod, maanden thuis zat, zijn zaak met succes aanvocht en intussen weer terug is in de faculteit. Waar aanvaringen met zijn voormalige baas Koehorst tot het verleden behoren omdat die onlangs naar de Berg is verhuisd, als nieuwe HRM-directeur van de UM.

Koehorst zelf laat er niet veel over los want “over individuele personeelskwesties mag en wil ik niets zeggen”. Wat hij wèl kwijt wil: “Overal gebeurt wel eens wat. Ik ben vijf jaar directeur bij Fasos geweest, dan is er een lijstje van tien, vijftien mensen waar ‘iets mee aan de hand’ was. Elke faculteitsdirecteur kan je zo’n lijstje geven. Je probeert dat op te lossen, soms vind je mekaar, soms een beetje, soms niet en dan kan het escaleren.”

Dat is in dit geval overduidelijk gebeurd. Tot en met de uitspraak van een adviescommissie in het kader van de Algemene wet bestuursrecht. Die, iets anders valt moeilijk te concluderen, redelijk vernietigend was over Koehorsts beleid in dezen: onvoldoende voorbereid, onvoldoende gemotiveerd, en bevoegdheden verkeerd gebruikt.

Koehorst: “Ik herken me voor een deel in de conclusies, en ik ben inderdaad teruggefloten. Maar het kan toch niet zo zijn dat je altijd het juiste besluit neemt?”

Eenzijdig beeld

De zaak is nog niet afgelopen, de advocaat van de medewerker in kwestie is nog steeds bezig een schadevergoeding van de UM los te krijgen en is er bovendien van overtuigd dat meer medewerkers onheus zijn behandeld door de voormalig directeur. Navraag levert een paar namen op, van mensen die echter ofwel niet reageren ofwel (anoniem) een genuanceerder beeld schetsen, waar soms Koehorst in het geheel niet in voorkomt. Zijn er ook positief gestemde lieden binnen het bureau? Jazeker. Koehorst stuurde na het interview met Observant een mailtje naar zijn voormalige ondergeschikten met de vraag of ze een dreigend “eenzijdig, negatief en deels incorrect beeld” misschien zouden willen tegengaan. Daarop zijn inderdaad verschillende reacties bij de redactie binnengekomen, die allemaal reppen van een goede sfeer, leuke collega’s, deuren die zowel bij de directeur als de decaan altijd open staan, eventuele lastige situaties die altijd bespreekbaar zijn. Opvallend is wel dat ook deze zegslieden hun namen liever niet in het artikel terugzien.

Dat laatste geldt niet voor een aantal prominente wetenschappers als Swierstra en Bijker; die “steken hun hand voor Koehorst in het vuur”. En ook niet voor het hoofd bureau onderwijs, Ien van de Leur. Zij concludeert: “Als er al een angstcultuur is – ik kom die op mijn afdeling in ieder geval niet tegen – ontstaat die door de verhalen van de mensen zelf. Het gonst hier veel; bij andere faculteiten zal het trouwens niet anders zijn. Maar ja, als leidinggevende moet je soms nare beslissingen nemen. Dat doen we dan wel volgens het boekje. En wat ik maar niet begrijp: waarom denk je, als er iets naars gebeurt met een collega, dat jij de volgende bent wiens kop gaat rollen? We zijn toch een beschaafd instituut?”

Grimas

Hoe gaat het nu verder? Eerst moet de faculteit groen licht krijgen van de NVAO; diep van binnen knaagt bij sommigen nog de twijfel of het wel allemaal goed komt, maar de boodschap die men uitstraalt, wil uitstralen, is: het gaat lukken. En het eerste positieve nieuws, voor de master mediastudies, is al binnen. Is de klus dan geklaard? Nee, vindt Pieter Caljé. “Veel docenten verlangen naar een cultuur waarin onderwijs weer meer wordt gewaardeerd, net als in de eerste tien jaar van de faculteit. Een cultuur waarin investeringen, discussies, overleg en vernieuwingen rond het onderwijs lonen. Belangrijk is dat het onderwijs niet versteent maar voortdurend vernieuwt.”

Rein de Wilde gaat dat allemaal niet meer als decaan meemaken. Hij keert, eindelijk, weer terug naar de wetenschap. Later dan gepland: twee jaar geleden liep zijn decanaat af, hij had er twee keer vier jaar opzitten maar een opvolger was op dat moment in de faculteit niet te vinden. Een externe beroepsdecaan wilde helemáál niemand, dus tekende De Wilde bij, voor twee jaar. Kort daarop gooide de NVAO haar bommetje, de brief met gele kaarten, op de mat. Heeft hij er spijt van dat hij heeft bijgetekend? De Wilde zit met de armen over elkaar en zwijgt. Op zijn gezicht een veelzeggende grimas.

Wammes Bos, Riki Janssen, Maurice Timmermans       

 

Aanleiding en werkwijze

De afgelopen anderhalf jaar bereikten de redactie meermalen klachten over de cultuur, sfeer en werkdruk aan de faculteit cultuur- en maatschappijwetenschappen oftewel Arts and Social Sciences (Fasos); een faculteit die volop bezig is om de zeven onvoldoendes van onderwijswaakhond NVAO weg te werken. Om te kijken of het opgeroepen beeld klopt, sprak de redactie met (of kreeg informatie van) 37 medewerkers, vooral wetenschappelijk maar ook ondersteunend personeel, en een klein aantal studenten. Observant benaderde meer mensen maar niet iedereen wilde meewerken. “Ik ben vooral elders aan het werk en niet goed op de hoogte”, “ik heb geen mening”, “ik vind dit niet het juiste moment omdat de faculteit er nu de schouders onder moet zetten”, klonk het. Een enkeling wil volstrekt onherkenbaar blijven, een aantal wil niet met naam en toenaam worden genoemd.

Decaan Rein de Wilde tenslotte is in de gelegenheid gesteld om te reageren.

Op basis van de interviews en een aantal documenten is dit artikel geschreven. Het is opgedeeld in hoofdstukken rondom de belangrijkste thema’s: gele kaarten, angstcultuur, werkdruk en top-down bestuurscultuur.

 

 De kritiek en de remedie

De kern van de kritiek van de NVAO was: te veel zwakke scripties. Van de zeven opleidingen (bachelor en masters), die tegen het licht werden gehouden, kregen er daarom in eerste instantie zes een onvoldoende. Later kreeg de researchmaster European Studies nog een ‘gele kaart’, vooral omdat focus en samenhang in het curriculum zouden ontbreken.

Niet alleen in Maastricht vielen klappen, maar ook bij zusterfaculteiten in het land. Sinds de kaartenregen is Fasos als een bezetene aan het werk gegaan met herstelplannen, om daarmee de heraccreditatie van de opleidingen veilig te stellen.

Scripties worden nu strakker begeleid, de staf wordt daarin getraind en er is altijd een tweede ‘lezer’, ook in de bachelorfase; studenten zijn minder vrij in hun onderwerpkeuze, die moet aansluiten bij expertise van de staf; er is meer aandacht voor academische vaardigheden en methodologie; een strengere aanwezigheidsplicht; de researchmaster ES heeft het curriculum inmiddels aangepast.

Studenten zijn soms wel, soms niet tevreden. De een vindt koppeling van de scriptie aan deskundigheid van de staf iets wat veel eerder had moeten worden ingevoerd, de ander klaagt dat aanwezigheidsplicht in het jaar na een mislukte herkansing betekent dat die studenten nauwelijks meer naar het buitenland kunnen, terwijl dat toch ook belangrijk is voor  de academische vorming.

 

Categories:Categorieën:
Tags:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)