Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

Als coauteur kun je niet alles controleren

Is een coauteur even verantwoordelijk voor de inhoud van een wetenschappelijk artikel als de hoofdauteur? En wat als later blijkt dat er iets mis was? Het debat over de rol van de coauteur is opgelaaid sinds NRC Handelsblad onlangs (zie Observant 4 en 5) in zijn wetenschapsbijlage drie pagina’s aan een geval van ‘slordige wetenschap’ wijdde.

Daarbij waren ook (oud-) UM-onderzoekers betrokken, Elke Geraerts, nu hoofddocent in Rotterdam en prof. Harald Merckelbach. Samen met een Amerikaanse coauteur maakte hij achteraf bezwaar tegen een publicatie van Geraerts waar zij bij betrokken waren.

Het geval werpt vragen op over de rol van coauteurs en de praktijk van het ‘meeschrijven’. Moet daar niet iets veranderen? Vijf Maastrichtse wetenschappers spreken zich uit.

Em. prof. internationaal recht Theo van Boven, vertrouwenspersoon wetenschappelijke integriteit aan de UM, verbaast zich over de cultuurverschillen tussen zijn type van wetenschap en dat wat in Randwijck wordt bedreven: “Bij ons bedank je in een voorwoord de mensen die je ergens mee geholpen hebben, bij geneeskunde en psychologie gelden ze als coauteur. Ik hoorde laatst van iemand die 300 keer per jaar als medeauteur optrad. Dat is bijna één keer per dag! Dan kun je niet meer met goed fatsoen zeggen dat je weet wat erin staat. Misschien moet daar eens over nagedacht worden. Ik vind: je bent verantwoordelijk voor de inhoud en anders ben je geen medeauteur.”

 

Hoe je het ook wendt of keert, je bent als coauteur inderdaad medeverantwoordelijk voor datgene waar jouw naam op prijkt, zegt Anita Jansen, hoogleraar experimentele psychologie. Maar controle of het allemaal wel koosjer is wat je medeonderzoekers hebben gedaan, dat is meestal onbegonnen werk. “Hoeveel datafiles van mijn medewerkers moet ik controleren? Bij studenten doe ik het altijd, bij aio’s alleen als het nodig lijkt, en dat gebeurt soms. Maar verder ga je volkomen uit van de integriteit van je collega’s. Iedereen kan altijd en overal de boel oplichten, maar je gaat er van uit dat mensen het niet doen.”

Het is niet zo dat Jansen als hoogleraar zo maar haar naam laat opnemen. Zij vindt dat ze een flinke bijdrage aan onderzoek en artikel geleverd moet hebben. “Onze groep publiceert veel, zo’n tien à twaalf artikelen per jaar, een per maand ongeveer, en daar ben ik nauw bij betrokken. Iemand heeft het oorspronkelijke idee, je moet een methode bedenken, een onderzoeksdesign, allemaal stappen waar je een rol in kan spelen en waarom je naam er dus boven komt. In de geneeskunde heb je de dokters die patiënten leveren, de tests doen, logisch dat die coauteur zijn. Maar de rest van het verhaal hebben ze misschien niet gezien.”

De eerste auteur van een artikel is meestal een aio, zegt Jansen. “Die verzamelt dan de data, zet het in SPSS, dan volgt de analyse. Bij makkelijk onderzoek heb je er redelijk zicht op, als het ingewikkelder wordt veel minder. Ik ben ook betrokken bij onderzoek met fMRI, dat zou ik niet eens kùnnen controleren. De eerste onderzoeker is er al een half jaar mee bezig, een controle duurt minstens even lang.”

Jansen ziet eigenlijk geen oplossing, zegt ze. “Of de wetenschappelijke wereld moet geheel veranderen. Als je met je groep nog maar één publicatie per jaar uitbrengt, kan het. Dan kan iedereen alles checken. Maar dat zit er niet in. En om nu het beleid in te richten op de paar rotte appels, tja, daar bezorg je de goeden verschrikkelijk veel gedoe mee.”

 

 

Een coauteur is net zo verantwoordelijk voor de inhoud als de hoofdauteur, zegt Wim Groot, hoogleraar gezondheidseconomie. “Het probleem is alleen dat je niet steeds over iemands schouder mee kunt kijken. Met een jonge onderzoeker bespreek je wat er moet gebeuren en neem je de statistische uitkomsten door. Maar de ruwe data regelmatig opvragen, zoals vragenlijsten, zouden de meeste onderzoekers opvatten als een motie van wantrouwen. Ik doe het weleens als ik gekke dingen tegenkom, maar in de regel vertrouw je elkaar, daar kies je je mensen op uit. Op mijn terrein verzamelt een minderheid van de onderzoekers de data zelf, de meesten gebruiken bestaande databestanden of data die verzameld zijn door een professioneel bureau. ”

Het is nooit voorgekomen dat Groot na publicatie onregelmatigheden ontdekte, wel vóór publicatie: “Dat je denkt: ‘Als ik dit niet had gezien, dan hadden we serieuze problemen gekregen.’ Als het toch gebeurt, heb je twee keuzes. Je blijft achter het artikel staan, in goede en dus ook in slechte tijden. Of je trekt de publicatie terug. Ik heb er geen ervaring mee maar volgens mij kun je dat als coauteur doen. Kwestie van een briefje naar de editor, al zal het tijdschrift dat niet prettig vinden.”

Zijn naam staat niet onder elk artikel dat in zijn vakgroep wordt geschreven. “Alleen als ik heb bijgedragen aan de formulering van de onderzoeksvraag, de analyse en de publicatie. Een promovendus vroeg ooit of hij mij als auteur mocht noemen om publicatie te vergemakkelijken. Ik heb dat niet gedaan, ook omdat ik denk dat het zo niet werkt, niet in het algemeen althans. Om een en ander te voorkomen eisen sommige journals tegenwoordig een verklaring van alle auteurs, waarin ze hun bijdrage aan het stuk verduidelijken.”

 

Het lijkt een Nederlands trekje om een waslijst van auteurs te noemen, zegt gezondheidswetenschapper Mark Spigt. “In het buitenland hoor ik weleens: ‘Daar heb je weer zo’n Nederlandse publicatie met al die namen. Alsof wij toch meer op publiceren gefocust zijn dan bijvoorbeeld de Engelsen.”

Spigt weet zeker dat menig coauteur weinig meer heeft bijgedragen dan – bij wijze van spreken -een controle op spelfouten. Op sommige afdelingen wordt het hoofd standaard genoemd, maar niet altijd ten onrechte. “Zie dat niet te zwart-wit, want een capgroepsvoorzitter kan indirect van alles hebben bijgedragen. Misschien heeft hij de promotieplaats überhaupt mogelijk gemaakt of de subsidie aangevraagd. En dan sta je terecht boven een publicatie.”

De aard van het onderzoek maakt ook uit. “Als het om grootschalige dataverzamelingen gaat, vaak in Randwijck, waar veel mensen van verschillende afdeling bij betrokken zijn, dan heb je al snel meerdere namen. Werk je met een theoretisch model, dan stel je alleen of met z’n tweeën een hypothese op en schrijf je uiteindelijk samen of alleen een stuk.”

 

John Hagedoorn, hoogleraar organisatie en strategie, heeft ook nooit meegemaakt dat hij als coauteur na publicatie slordigheden ontdekte. “Als iemand moedwillig de boel wil belazeren, dan kan dat. De kans is ook niet groot omdat mijn promovendi vaak met mijn eigen data werken en die ken ik.” Hagedoorn heeft naam gemaakt met een internationale databank die hij zelf heeft opgezet. Die bevat talrijke gegevens van bedrijven die met elkaar samenwerken, tot op de dag van vandaag.

“Ik vind het overdreven om je naam te zetten onder artikelen waar je niks mee te maken hebt. Ik ken collega’s aan andere universiteiten die dat doen, maar dan kun je in moeilijke situaties terechtkomen. Ik publiceer ook altijd met mensen die ik goed ken, en met wie ik de zaken al tig keer heb doorgesproken. Er zit ook altijd een component van vertrouwen in. Je moet iemand toch de vrije hand geven. Als je alles moet controleren, kun je het onderzoek net zo goed zelf doen.”

Promovendi stimuleert Hagedoorn om in hun eentje te publiceren. “Ik publiceer weleens samen met jonge onderzoekers, maar dat ‘heb ook een nadeel’, om met Cruijff te spreken. Ze lopen het risico dat collega’s denken dat ze de publicatie aan de hoogleraar te danken hebben.”

 

Wammes Bos/Maurice Timmermans

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)