Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

“De houding van ‘we flikkeren díe ministers eruit’; zo was Kruls niet”

“De houding van ‘we flikkeren díe ministers eruit’; zo was Kruls niet”

Photographer:Fotograaf: Nico Naeff / Nederlands Fotomuseum

Biografie over omstreden generaal

Bestuurskundige Jaap Hoogenboezem, docent bij cultuur en maatschappijwetenschappen, schreef een biografie over Hendrik Johan Kruls, chef-staf van het Militair Gezag aan het einde van de oorlog en daarmee een tijdje de ‘onderkoning’ van Nederland. Een man ook wiens naam telkens maar weer in verband werd gebracht met mogelijke staatsgrepen. “Dat was onzin”, zegt Hoogenboezem.

Het is bijna niet meer voor te stellen, maar ooit, in de jaren zeventig, is er een verwoede strijd om gevoerd: het recht op lang haar in het leger. Voor mannen wel te verstaan. Onze jongens in Afghanistan hebben nu weer frisse kortgeschoren koppies, American style, en dat is precies zoals wijlen generaal Kruls het graag zag. Hans Kruls (1902-’75), tijdens de afwikkeling van de Tweede Wereldoorlog een man om wie niemand in Nederland heen kon, verdween later steeds meer naar de marge. In de jaren zestig en zeventig vinden we hem terug als militair commentator in bladen als Elsevier en het Algemeen Dagblad, waar hij zich druk maakte over fenomenen als de vakbond voor dienstplichtigen (VVDM) en de vrije haardracht. Die maakten de krijgsmacht tot “een aanfluiting”, vond hij. En dat was dan weer gevaarlijk omdat de Russen immers voor de deur stonden, iets wat door het groeiende linkse volksdeel in die dagen luchtig werd weggelachen, opnieuw tot treurnis van de voormalige generaal.

Eindigen als een ouderwetse socialistenvreter, een karikaturale houwdegen in de rechtse pers die door slechts weinigen nog serieus werd genomen: het heeft iets treurigs voor een man met zijn staat van dienst, iemand die confereerde met koningin Wilhelmina en talloze ministers, die de Amerikaanse generaal (en latere president) Eisenhower tot zijn kennissenkring mocht rekenen. Treurig, te meer omdat zijn glanzende militaire carrière al op zijn 49ste was afgelopen en hij daarna in het bedrijfsleven verzeilde, bij de KLM bijvoorbeeld waar hij jarenlang aan Holland Promotion deed. Jaap Hoogenboezem: “In dat opzicht was hij wel een tragische figuur, je na zo’n loopbaan bezig moeten houden met kaasmeisjes en het hotelwezen.”

Toch, hij had het er ook wel een beetje naar gemaakt, deze generaal. In 1951 uit zijn functie gezet, in ’53 officieel ontslagen en daarna nooit meer gevraagd om zijn niet geringe expertise in te zetten voor het vaderland of voor de pas opgerichte NAVO, zoals hij zelf nog had gehoopt. Te besmet, te veel ruzie gemaakt met invloedrijke politici in die dagen, concludeert Hoogenboezem, die zich er niettemin nog altijd over verwondert dat Kruls zo zeer persona non grata was: “Ja, want je hebt het hier over misschien wel de enige man in Nederland met directe toegang tot Eisenhower, vanaf ’53 president van de Verenigde Staten. Zo iemand kun je beter gebruiken.”

 

Balspelen

De jonge Hans Kruls had naar eigen zeggen al vroeg besloten om beroepsofficier te worden. Gesteund door een vader uit de kleine middenstand die de status van de familie zag stijgen als zijn zoon de Koninklijke Militaire Academie zou doorlopen, destijds nog in belangrijke mate een elitebastion, maar ook met sterke eigen motieven, of eigenlijk één: vaderlandsliefde, “de roeping tot landsverdediging, tot het bijdragen aan de vrijheid van de gemeenschap”, zoals hij in zijn memoires schreef. En dus niet, zoals voor velen toen en nu gold, het sportieve aspect, want Kruls koesterde “steeds een niet te overwinnen tegenzin tegen balspelen” en beschikte “nimmer over grote lichamelijke vaardigheid”.

Hij verliet de KMA in 1922, als eerste van zijn jaar, in een tijdvak waarin de regering zo drastisch snoeide in de militaire uitgaven dat men het binnen de strijdkrachten als ‘totale afbraak’ beschouwde. Het zou de kijk van Kruls op politiek en politici voor altijd kleuren: incompetente slapjanussen, nu eens in de greep van pacifistische waanideeën, dan weer van naïeve of opportunistische overwegingen. Biograaf Hoogenboezem toont de keerzijde daarvan en maakt afdoende duidelijk dat het vaak Kruls eigen nauwe blikveld was dat zijn oordeel vervormde: oog voor redelijke politieke afwegingen in een tijd van economische malaise, waar ook andere motieven dan de strikt militaire het regeringsbeleid bepalen, had hij nauwelijks.

Maar goed, Kruls zat er aan de andere kant niet helemaal naast met zijn laatdunkende visie op politici, getuige bijvoorbeeld de passages die Hoogenboezem wijdt aan de vlucht van de Nederlandse regering na de Duitse inval van 10 mei 1940. Wat daar aan geklungel werd vertoond had zijn weerga niet. En Kruls zat er bovenop, want hij was inmiddels (na een rechtenstudie, de Hogere Krijgsschool en toetreding tot de Generale Staf - en daarmee het Haagse circuit) opgeklommen tot adjudant van de minister van Defensie. Die zijn baas Dijxhoorn met alle liefde van dienst wilde zijn maar dat in die eerste oorlogsdagen niet kon omdat het kabinet zich verschanst had in een bomvrije schuilkelder waarmee nauwelijks telefonisch verkeer mogelijk was. Op 13 mei kreeg hij een teken van leven in de vorm van de opdracht om taxi’s en beveiliging te regelen: ze gingen naar Hoek van Holland. Om daar verder te vergaderen over de vraag of ze naar Zeeuws-Vlaanderen of Engeland zouden vluchten. En wie dan, het gehele kabinet, of een gedeelte? En moesten er ambtenaren mee? Het nog niet in veiligheid gebrachte restant goud van de Nederlandsche Bank? Na een chaotisch verlopen middag vertrok uiteindelijk het voltallige kabinet met een paar ambtenaren en zonder goud naar Londen.

 

Hoekig

Het werd het startpunt van Kruls’ finest hour, zo veel is duidelijk. In Londen kregen zijn organisatorische talenten de ruimte, maar ook zijn overlevingsinstinct in een van intriges vergeven omgeving. Spin in het web was koningin Wilhelmina, met haar niet al te hoge dunk van politici (daar vonden zij en Kruls elkaar), met daartegenover ministers die elkaar bij tijd en wijle de tent uit vochten maar ook poogden nog iets van ordentelijke staatsrechtelijke procedures in ere te houden. Iets wat weer niet gemakkelijk was met een eigenzinnige koningin en haar voornaamste protégé, een op zijn zachtst gezegd avontuurlijke prins Bernhard.

Kruls viel op in Londen, vanwege zijn kwaliteiten maar ook door de omstandigheden. Het overgrote deel van de Nederlandse officieren zat in Duitse krijgsgevangenschap en zag de carrière voor jaren stagneren, met andere woorden: veel concurrentie was er niet. Van de stafofficieren die wel in Engeland waren beland “stak hij met kop en schouders boven de rest uit”, vertrouwde prins Bernhard vlak voor zijn dood aan Hoogenboezem toe.

Niet dat Kruls ster in rechte lijn rees. Zijn volgens de biograaf ‘hoekige’ omgangsvormen, bij tijd en wijle ronduit bot en vaak politiek onhandig, verhinderden dat. Maar telkens wist hij met een combinatie van geluk en slim opereren de wind weer in de rug te krijgen. Een van die periodes van tegenslag betrof het debat (in 1942 al) over de vraag welk krijgsmachtonderdeel straks het voortouw moest nemen bij de bevrijding: de marine (het korps mariniers) of de landmacht? Die vraag had consequenties voor de bevelvoering en dus voor de invloed van mensen als (landmacht) Kruls. Ondanks verwoede pogingen het tij te keren verloor hij het pleit, de minister koos voor een marine-officier, maar het bleek een tijdelijke terugslag die Kruls later met vlag en wimpel kon goedmaken. En dat was in de vorm van het Militair Gezag, het orgaan dat de macht in het pas bevrijde Nederland (of delen daarvan) als eerste zou overnemen en waar Kruls de effectieve leider van werd. Zonder slag of stoot ging dat allemaal niet, want de vraag wie straks in het bevrijde Nederland de dienst moest uitmaken bleef lange tijd een splijtzwam, ook binnen de regering. Moesten dat militairen zijn of burgers? De socialistische bewindslieden, ja zelfs Wilhelmina, waren bang voor een militaire dictatuur. Maar welke burgers dan; toch niet de burgemeesters die fout waren geweest. Mensen uit het verzet misschien?

Er was echter, zo legt Hoogenboezem omstandig uit, niet veel keus in een chaotische situatie waarin de fronten zich langzaam verplaatsen en de militaire presentie nog alom is, al was het maar omdat de kansen in een oorlog altijd weer kunnen keren. Bovendien waren er afspraken met de geallieerden en de geallieerde bevelhebber generaal Dwight Eisenhower dat de overgangstijd eerst een militaire fase zou kennen. Voedselvoorziening, het tegengaan van besmettelijke ziekten, transport van ontheemden, daarvoor werd het Militaire Gezag dus in het leven geroepen. En ook, niet onbelangrijk, om mogelijke politieke onrust de kop in te drukken. Het schrikbeeld van het einde van de Eerste Wereldoorlog, met overal communistische revoluties of pogingen daartoe, had er bij de Europese elites, ook de Nederlandse, goed ingehakt. Of de keuze voor Kruls als leider van het MG een verstandige was, is vraag twee. Een fellere anticommunist was niet denkbaar, maar voor het overige was hij niet sterk in politiek delicate situaties en kon zijn autoritaire stijl de tegenstanders van militair bestuur allicht de gordijnen injagen. Hoogenboezem beantwoordt de vraag dan ook met een onomwonden nee: niet verstandig. Maar het pakte zo uit omdat de minister van Defensie Van Lidt de Jeude, die als de werkelijk verantwoordelijke voor het MG had moeten optreden, zichzelf buiten schot hield en daarmee Kruls alle ruimte gaf.  

En hoe zat het nu met al die geruchten over Kruls’ neiging tot staatsgrepen? Onzin, zegt Hoogenboezem. De man had autoritaire denkbeelden maar zijn officierseed was hem heilig en die behelsde onderwerping aan het burgerlijk gezag. Kruls bewees ook in de praktijk dat hij op dat punt geen avonturier was: hij ontmantelde het Militair Gezag weer even snel als het opgebouwd was (in ’46 al), terwijl hij toen, in die chaotische naoorlogse periode, toch ruimschoots de kans had gehad om de burgerautoriteiten nog een poosje aan de kant te laten en zelf ‘orde op zaken’ te stellen. “Samen met de Binnenlandse Strijdkrachten, de opvolgers van het verzet. Die had hij wel meegekregen, gezien uitspraken in die kringen als: we flikkeren die ministers eruit. Maar een staatsgreep, dat zat niet in Kruls’ systeem.”

 

 

Wammes Bos

Een moeizaam gesprek met prins Bernhard

 

Waarom een biografie over een man die maar zo kort geschitterd heeft? Jaap Hoogenboezem: “Het begon ermee dat de memoires van Kruls vroeger bij ons thuis in de boekenkast stonden. Ik ben ze gaan lezen toen ik bestuurskunde studeerde. De man is interessant, want hier hebben we nu eens niet een vechtende generaal, maar een militair die burgerlijk gezag uitoefende. Dat is iets wat nu ook aan de orde is, in Afghanistan bijvoorbeeld: de Civil Affairs taken van de krijgsmacht zijn zeker zo belangrijk als de strikt militaire. En ik heb er ook zelf iets mee, ik ben in dienst geweest en ben nu reservist, over een tijdje ga ik aan de slag, in een Civil Affairs bataljon, dat bestaat al. Een uitzending voor drie maanden, ik weet alleen nog niet waarheen, maar mijn inbreng is vooral bestuurskundig; hoe ga je om met de lokale bestuurders, maak je daar gebruik van of neem je het bestuur over, dat soort vragen.

“En wat het schrijven van een biografie betreft: vanaf mijn twaalfde ben ik een verwoed lezer van het genre. Nu wilde het zelf eens proberen.”

Voor een biografie is er wel heel weinig persoonlijke informatie in verwerkt.

“Dat klopt, maar wat er was, staat erin. Heel weinig dus. Zijn enige dochter had nauwelijks meer contact meer met hem, zijn tweede vrouw [zijn vriendin in de Londense tijd; niet alleen hij, “alle ministers hielden er een juffrouw op na”, citeert Hoogenboezem een daar werkzame aalmoezenier] heb ik gesproken maar die was toen al niet meer helemaal compos mentis. En omdat Kruls zo jong generaal was geworden, hij was toen 42, zijn de mensen met wie hij werkte, en die dus ouder waren, al dood. In zijn memoires gaf hij evenmin veel prijs. Ik heb nog wel met prins Bernhard gesproken, maar dat was ongeveer een maand voordat die stierf. Het was een moeizaam gesprek, Bernhard was stokdoof, zijn secretaris schreeuwde mijn vragen in zijn oor. Als je iemand interviewt probeer je voor de duur van het gesprek een band op te bouwen, maar dat ging hier dus moeilijk. Veel is er niet uitgekomen.”

Is dit boek bedoeld als eerherstel voor de later zo verguisde Kruls?

“Nee, ik zie het meer als een realistischer perspectief, en daarom is het beeld positiever geworden. De parlementaire enquêtecommissie die na de oorlog de rol van het Militair Gezag heeft onderzocht legde de schuld voor alles wat fout ging bij hem, niet bij de politiek verantwoordelijken. Kruls was politiek natuurlijk uitermate onhandig, maar hij was eigenlijk ook veel te jong voor zijn functie en bovendien, anders dan nu kregen topofficieren toen geen enkele politieke vorming. Hij had grote moeite met de staatsrechtelijke norm dat het politieke gezag het laatste woord heeft en dat ambtenaren, dus ook generaals, naar buiten toe hun mond moeten houden. Hij gaf nota bene interviews tegen zijn eigen minister. Aan de andere kant heb ik wel enig begrip voor de logica van de ambtenaar die graag heeft dat zijn superieur zich dan wel enige kennis van zaken eigen maakt. Kruls had daar geen hoge dunk van.”   

 

 

Jaap Hoogenboezem: H.J. Kruls, Een politieke generaal. Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2010

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)