Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

Een gedicht als kemplimentje aan het vrouwelijke geslacht

Een gedicht als kemplimentje aan het vrouwelijke geslacht

Dichter Huub Beurskens bespreekt Kusters’ biografie van Kemp

Het is haast onvoorstelbaar dat de beschrijving van Pierre Kemps leven (1886-1967) door UM-hoogleraar Wiel Kusters tot een boek van bijna 750 bladzijden heeft geleid, wanneer je bedenkt dat er welhaast geen dichter van klasse bestaat die zo weinig heeft meegemaakt. In de iets meer dan tachtig jaren van zijn leven verbleef Pierre Kemp negen maanden in Amsterdam, waarvoor hij meteen ook de langste reis van heel zijn leven maakte, hij trouwde op zijn eenendertigste, kreeg drie zonen, die zich net als hun moeder nauwelijks voor zijn dichterij interesseerden, hij pendelde meer dan een kwart eeuw wekelijks van maandag tot en met zaterdag met de trein tussen zijn woonplaats Maastricht en Eygelshoven, waar hij als loonadministrateur bij de kolenmijn Laura werkte, droeg altijd een zwart pak, bezondigde zich niet aan alcohol en nicotine, at karig, woonde 38 jaar lang, tot zijn dood, in een eenvoudige eengezinswoning op loopafstand van het Maastrichtse spoorwegstation.

Voor het beschrijven van zo’n allesbehalve spectaculair verlopen leven is niet alleen een vergaande detailkennis van het alledaagse vereist, maar ook een zeer sensibel inlevingsvermogen in de concrete omstandigheden en locaties, om te voorkomen dat de lezer in een opsomming van futiliteiten strandt. Als je Pierre Kemp, een leven uit hebt, heb je geen keer het gevoel gehad je door overbodig gebabbel te hebben moeten worstelen. Kusters blijft compositorisch overzicht houden in dit ‘leven’, terwijl hij de lezer bijna fysiek meevoert in Kemps tijd en milieu.

Zijn dichterschap ontstaat, in het tweede decennium van de vorige eeuw, in de sfeer van het roomse leven. Ene pater Van Well werpt zich op als artistieke mentor van de zowel literair als beeldend getalenteerde jongeman. Wie de latere poëzie kent, ziet in de vroege gedichten reeds allerlei motieven spelen die naderhand de dramatische kern van dit dichterschap blijken uit te maken. “De Pierre Kemp van de gedichten die hij tussen zijn 22ste en 26ste schreef, was geen opgewekte jongeman”, noteert Kusters. De dichter Pierre Kemp zoals die literair bekend geworden is en, zeer laat in zijn leven, bekroond werd, is die van de korte, speelse gedichten met erotische lading. Het heeft er alles van weg dat deze typische kleine Kempgedichten hun ontstaan te danken hebben aan het gependel met de trein. Enerzijds bepaalde de betrekkelijk korte duur van deze ritjes de schrijftijd en dus de lengte van de gedichten, anderzijds bepaalde het vrij stabiele gezelschap van medereizigers zoals ook dat der toevallige passanten, niet alleen de lading van de treincoupés maar ook die van Kemps rijmende versjes. Ik kan me zelfs voorstellen dat het ritmische patroon en de topografische voorstelling van het tweemaaldaagse boemeltraject Kemp zo in zijn bloed- en zenuwbanen is gaan zitten, dat het de cadans van de poëzie mede is gaan bepalen en is blijven bepalen, ver voorbij zijn pensionering.

Wat in Kusters’ biografie uitvoerig aan de orde komt is de rol die vrouwelijke medereizigers hebben gespeeld in Kemps leven en poëzie. Dagelijks zat de loonadministrateur een tijdje vis à vis tegenover een voor hem vaak aantrekkelijk persoon van het andere geslacht. Meer dan eens ontwikkelde zich tussen hem en zo’n vrouwelijke medereiziger een flirterige verstandhouding die in al zijn wederzijdse platoonsheid bijzonder ver kon gaan. Daar droeg het gegeven dat de man in het zwart gedichtjes schreef in hoge mate, zo niet alles toe bij. De poëzie vormde als het ware het afgebakende, afgeschermde en beschermende speelveld voor het wederzijds kunnen maken van intieme, erotische toespelingen. Daar komt bij dat Kemps gedichtjes, die hij zijn muzen of ‘inspiratrices’ liet lezen en cadeau deed, altijd een kinderlijk, grappig en ook wel ongrijpbaar karakter hadden en dat ze in zekere zin buitengewoon vleiend waren, een soort kemplimentjes aan het vrouwelijke geslacht. Kemps praktisch immer erotisch getinte gedichten zijn amusant, inventief, ondeugend, soms scabreus, altijd beweeglijk. Wiel Kusters legt terecht de nadruk op het nog altijd vitale karakter van Kemps poëzie. Maar hij heeft het daarbij ook over een ‘vitale melancholie’. Want juist in Kemps gescherpte zintuiglijkheid voor het mooie, aantrekkelijke en verleidelijke van zowel de natuur der bloemen als die van de andere sekse, schuilt meteen, als twee kanten van eenzelfde medaille, het besef van de vergankelijkheid en het nooit te stelpen besef van het eigen tekort. Van jongs af heeft Kemp het leven beschouwd als een nauwelijks of niet beïnvloedbaar biologisch proces. “Een vrouw is iets van tussen haar benen,/en meer niet!”, roept hij uit, vooral om zichzelf met beide benen op de grond te zetten. Maar intussen, intussen… Iets soortgelijks geldt voor Kemps besef dat wij sterk worden bepaald door psychische processen, hij is zich er terdege van bewust dat zijn dichtkunst gemakkelijk kan worden beschouwd als een vorm van sublimering, maar toch…: “Een meisje zingt op straat:/ik ben niet helemaal van sublimaat!”

         “Van het in literaire kringen zo prestigieuze moeizame scheppen is bij hem nooit sprake geweest”, schrijft Kusters. Op de laatste dag van het jaar waarin hij 72 was geworden, schreef Kemp met gein in een brief: “In 1958 heb ik 376 gedichten geschreven, in 1957 377; het gaat dus in ‘dalende lijn’.” Hier is een Sisyfus aan het woord die in de loop van zijn leven een enorme speelse en humoristische veerkracht heeft ontwikkeld, en die van het rotsblok dat steeds opnieuw omhooggerold dient te worden een fraaie kiezel heeft gemaakt, wetend dat ook die hem steeds weer zou ontglippen, dat grote verleiding altijd tot groter verlies zou leiden, maar die het desalniettemin niet naliet zich keer op keer te laten verleiden. Deze zo levenslustige poëzie is in wezen tragisch omdat de held ervan, het lyrische ik, zich expliciet bewust toont van de ontoereikendheid van zijn onderneming. Het paradoxale is dat juist het feit dat Kemps gedichten het tragische besef van het uiteindelijke verlies en verdriet met zoveel licht elan in zich meedragen, deze menselijke tragiek draagbaar maakt. Telkens weer. Zonder te psychologiseren en te filosoferen maakt Wiel Kusters dat impliciet duidelijk door er met verve heel veel over te vertellen.

 

Huub Beurskens

Wiel Kusters, ‘Pierre Kemp, een leven’, 744 pagina’s, uitgeverij Vantilt

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)