Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

“De waarde van hersenplaatjes in de psychiatrie: nul”

“De waarde van hersenplaatjes in de psychiatrie: nul”

UM-onderzoeker door Nature gevraagd om artikel te schrijven

Vijfentwintig jaar neuro-imaging en dure genetica in de psychiatrie hebben teleurstellende en magere resultaten opgeleverd. Het is de hoogste tijd voor een nieuwe kijk op het brein in relatie tot psychische stoornissen. Dat is de portee van een artikel van de Maastrichtse hoogleraar psychiatrie Jim van Os, dat deze maand verschijnt in vaktijdschrift Nature.

In de negentiende eeuw beweerde de Duitse arts Joseph Gall dat iemands karakter kan worden afgeleid uit de schedelvorm. Want mentale vermogens zetelen volgens Gall op vaste plaatsen in het brein. Zo ontdekte de arts dat intelligente mensen grote ogen hebben en concludeerde hij dat intelligentie achter de ogen moest liggen. Uit die tijd stammen de schedelkaarten, waarop de locatie van de verschillende psychologische functies zichtbaar werden gemaakt, afgegrensd door stippellijntjes.

Dat is in wezen wat neuro-imaging in klinische studies ook behelst, zegt prof. Jim van Os. “Plaatjes maken van het brein. Verklaard wordt er niets, alleen getoond. En wat krijgen we te zien? Om de zoveel tijd verschijnt er een studie waarin een detail uit de hersenen van, zeg, patiënten met de diagnose schizofrenie is vergeleken met dat van gezonde proefpersonen. Bij voorbaat kan ik je verklappen dat deze patiënten dankbare proefkonijnen zijn, want alles aan hun brein is abnormaal. Dus wat blijkt dan steevast uit zo’n studie: hun brein wijkt zichtbaar af van het ‘gezonde’ exemplaar.

“Deze eindeloze reeks van dure onderzoeken heeft in de afgelopen 25 jaar dan ook weinig tot niets opgeleverd. Niet één diagnostische test waaruit valt af te leiden of iemand schizofrenie heeft. Diabetes kun je met een glucosetest aantonen, maar psychische stoornissen laten zich op die manier niet vangen. Vraag een willekeurige clinicus of therapeut wat de impact is geweest van neuro-imaging op de behandeling van zijn patiënten en het antwoord luidt: nul. Vraag hem in hoeverre de plaatjes zijn begrip van de stoornissen hebben vergroot en hij zal antwoorden: nul.”

Het probleem is volgens Van Os dat klinische neuro-imaging maar ook genetica in de psychiatrie nog steeds uitgaan van het biomedische ziektemodel. “Hierbij beschouwt men het brein als ziek of kapot, alsof er een gat in zit. Vervolgens wordt er een plaatje van gemaakt en gaat men op zoek naar de oorzaak, naar het verantwoordelijke gen. Dat is te simpel. Elke clinicus kan je vertellen dat het geen zin heeft om naar een schizofrenie-gen te zoeken omdat niet eens duidelijk is waar de stoornis begint en waar ze ophoudt. De criteria zijn arbitrair en veranderen om de paar jaar. Het punt is dat veel imaging-onderzoekers maar ook genetici nog nooit een patiënt hebben gezien en vrolijk door zoeken.” 

 

Sociale cognitie

Wat we nodig hebben is een nieuwe hypothese over het brein, zegt Van Os. “Je moet kijken wat het doet. Wat dan opvalt is dat het constant online is met de buitenwereld en dat het al de hele evolutie lang, met steeds betere resultaten, hetzelfde doet: zich aanpassen aan de natuurlijke en sociale omgeving. Het brein maakt doorlopend, op grond van de instroom van zintuiglijke prikkels, een (emotionele) representatie of innerlijk beeld van de buitenwereld en van zichzelf. Dat begint al op zeer jonge leeftijd.”

Steeds meer onderzoek laat nu zien dat deze beeldvorming in de kiem verstoord kan raken door bijvoorbeeld jeugdtrauma’s als verwaarlozing of misbruik. Het gevolg is een gebrekkige afstemming op de omgeving waardoor het risico op psychotische verschijnselen stijgt. “Je ziet dat ook bij patiënten met psychose. Als ze in hun ooghoek een groepje mensen zien lachen, dan beoordelen ze dat verkeerd en krijgen deze schijnbaar onbelangrijke stimuli een nare, persoonlijke lading. De conclusie is dan: ‘Ze zitten me uit te lachen’. Zo bezien is paranoia dus niets anders dan een verkeerde interpretatie van de sociale omgeving. Deze patiënten zijn niet goed in het lezen van andermans gedrag, een vaardigheid die valt onder de term sociale cognitie.”

Ditzelfde onvermogen lijkt aan de basis te liggen van meer psychische ziekten. “Bij mensen met depressie kom je hetzelfde tegen. Een medewerker groet een collega op de gang die geen kik geeft en strak doorloopt. Waarna de medewerker denkt: ‘Hij groet niet, hij negeert me, hij vindt me niet aardig, niemand vindt me aardig.’ Ook hier loopt de interpretatie uit de pas met de werkelijkheid.”

Opvallend is dat weinig onderzoek is gedaan naar omgevingsfactoren als jeugdtrauma’s en psychose. “Dat heeft volgens mij veel te maken met status. Als je in de psychiatrie sociale oorzaken bestudeert, sta je al snel te boek als een halve maatschappelijk werker. Maak je daarentegen plaatjes van de hersenen, dan ga je door het leven als een sjieke neurowetenschapper.”

 

Bio bio bio

Dat terwijl nog meer omgevingsfactoren hun steentje bijdragen. Wie opgroeit als lid van een minderheid, loopt eveneens meer kans op psychotische syndromen. “En dan heb ik het niet alleen over achterstandsgroepen als Turken en Marokkanen, maar over elke groep die getalsmatig in de minderheid is. Denk aan Engelsen in Japan of Noren in de Verenigde Staten. Hoe kleiner de eigen groep, hoe groter het gevaar. Of je tot de eerste generatie migranten behoort of de derde, maakt niets uit.” Woon je ook nog in de stad, dan is het risico nog groter. Dat is ook het geval als er regelmatig cannabis wordt gerookt.

De omgeving alleen bepaalt echter niet of iemand last krijgt van wanen of hallucinaties. De meeste immigranten in de Randstad die wekelijks een jointje opsteken, melden geen enkele psychotische klacht. Het zijn de mensen met een kwetsbaar genetisch profiel die uiteindelijk ontsporen onder invloed van deze omgevingsfactoren.

Er bestaat weliswaar geen schizofrenie-gen, maar de een is wel genetisch kwetsbaarder dan de ander voor bijvoorbeeld cannabis, zegt Van Os. Dat bleek onlangs uit Maastrichts onderzoek naar (tweeling)broers of zussen van patiënten: de familieleden waren vijftien keer zo gevoelig voor de werking van de softdrug dan willekeurige proefpersonen. In een andere recente studie hebben Maastrichtse onderzoekers (onder wie Ruud van Winkel) onlangs mutatie in een gen (AKT1) geïdentificeerd dat bijdraagt aan psychotische gevoeligheid voor cannabis. Beide studies zijn in oktober en november gepubliceerd in het Amerikaanse toptijdschrift Archives of General Psychiatry.

Kortom, meent Van Os, de bewijzen voor een nieuwe hypothese over het brein en zijn stoornissen stapelen zich op. Alles draait om het ingewikkelde samenspel tussen omgeving en genetische gevoeligheid. Langs die weg blijken jeugdtrauma’s ook te leiden tot een hogere stressgevoeligheid in het volwassen leven, wat vatbaarder maakt voor onwerkelijke belevingen zoals flashbacks, uitmondend in een overgevoelig dopaminesysteem dat ten slotte de hallucinaties veroorzaakt.

“Tien jaar geleden was het ‘bio bio bio’ wat de klok sloeg. Mensen als ik werden voor gek verklaard wanneer ik omgevingsfactoren betrok in de verklaring van ernstige psychische stoornissen zoals schizofrenie. Alleen een paar epidemiologen, clinici en patiënten steunden me. Nu wordt het groeiende wetenschappelijke bewijs serieus genomen en nodigt Nature me uit om er een analyse over te schrijven, net zoals The Lancet vorig jaar. Dat is zeker eervol, en goed nieuws voor patiënten die al jaren de aandacht vragen voor omgevingsfactoren.”

Zichzelf bevrijden van een depressie

Wat vindt het andere kamp van de visie van Jim van Os? Neuro-imaging heeft wel degelijk een hoop kennis opgeleverd, zegt neurowetenschapper prof. Rainer Goebel. “De verwachting van Van Os klopt niet. Neuro-imaging is niet bedoeld om verklaringen te geven maar om data te verzamelen, om diagnoses te stellen. Al kan het wel bijdragen aan een verklaring wanneer je de verschillen tussen een brein van een patiënt en een gezonde proefpersoon in beeld brengt.”

Of aan een beter begrip van bepaalde stoornissen, zegt Goebel. “Zo hebben we een paar jaar terug ontdekt waarom schizofreniepatiënten de stemmen die ze horen, als werkelijk ervaren, waarom ze geen onderscheid kunnen maken tussen werkelijke en innerlijke stemmen. In de scanner zagen we dat de primaire auditieve cortex actief was tijdens de auditieve hallucinaties. En dat is het gebied dat ook oplicht als er echt geluid of spraak klinkt.”

Evenmin is Goebel het eens met de bewering dat neuro-imaging niets heeft bijgedragen aan de behandeling van patiënten. Samen met een Duitse therapeut doet hij op dit moment onderzoek naar neurofeedback bij mensen met een depressie. Deze techniek, al eerder toegepast bij onder meer patiënten met ALS (dodelijke spierziekte) en chronische pijn, vloeit voort uit de ‘biofeedback’ van de jaren zestig: een training om mensen controle te geven over specifieke lichaamsfuncties zoals bloeddruk, hartslag of bepaalde spieren. Het idee erachter: wanneer mensen zich bewust worden van een lichaamsactiviteit - zichtbaar of hoorbaar gemaakt door een apparaat - dan leren ze die te beheersen.

Bij neurofeedback zien – in dit geval – depressieve patiënten de hoeveelheid activiteit in de betreffende hersengebieden en krijgen als taak om die activiteit te verminderen. “Dat kan door een gedicht op te zeggen, door te rekenen, noem maar op. Het is aan hen om uit te zoeken wat werkt. Op die manier kunnen ze zichzelf bevrijden van hun depressie.”

 

 

Maurice Timmermans

 

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)