Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

Alleen in gedichten laat ik mij kennen

Alleen in gedichten laat ik mij kennen

Photographer:Fotograaf: archief erven Drooglever Fortuyn

Maaike Meijer schrijft biografie over dichteres M. Vasalis

M. Vasalis (1909-1998) zou in deze tijd op haar plaats zijn. Zij combineerde het moederschap met maar liefst twee andere banen. En dat bleek lang niet altijd gemakkelijk. Prof. Maaike Meijer schreef het prachtige M. Vasalis, een biografie over een dichteres die beroemd en geliefd was, maar tegelijkertijd twijfelde aan haar literaire capaciteiten.

Een biografie “moet iets toevoegen aan het oeuvre en de lezer laten nadenken over het leven van het onderwerp en zijn eigen leven”, vindt prof. Maaike Meijer, hoogleraar-directeur van het Centrum voor Gender en Diversiteit. “Een biografie moet ontzag bijbrengen voor de complexiteit van het leven. Ik ben zeven jaar in het gezelschap van Vasalis geweest. Ik zat ondergedompeld in haar sfeer en dat heeft me goed gedaan. Ik heb een veel dieper geworteld gevoel voor immateriële waarden gekregen. Zij is heel zuiver op de graat, heeft een enorm ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel. Ik heb nooit een hekel aan haar gekregen, zelfs niet als ze weer opnieuw ging twijfelen aan haar literaire kunnen. Als het effect van deze biografie zou zijn dat haar gedichten meer betekenis krijgen, dan zou ik heel gelukkig zijn. Maar een biografie om de biografie? Nee, schrijvers maken dezelfde zaken mee als wij.”

 

Kiek

Laten nadenken over het leven en werk van M. Vasalis? Als Meijer één ding is gelukt, dan is het dat wel. Vanaf de eerste pagina komt de lezer terecht in de vaak woelige, maar boeiende wereld van Margaretha – Kiek of Knirps voor intimi – Leenmans, na haar huwelijk Margaretha Droogleever Fortuyn.

De kleine Kiek (geboren op 13 januari 1909) groeit op in een intellectueel, cultuur minded, rood, Haags nest. De band met haar ouders en oudere zus Ank (bijnaam Mompel) is stevig en liefdevol en dat blijft haar leven lang zo, getuige de vele levendige en openhartige brieven – talloze fragmenten zijn opgenomen in de biografie - die over en weer gaan. De Leenmansen laten zich weinig gelegen liggen aan de burgerlijke en vaak kleingeestige mores van de jaren dertig. Ze voeden hun dochters dan ook niet “als elfjes op”, schrijft Meijer. “Hun vader Hal was openlijk dol op moeder Louise en kon hardop – en in het bijzijn van zijn kinderen – ‘donzen kontje, satijnen gatje’ tegen haar zeggen.” De twee gaan naar het gymnasium en kiezen vervolgens voor de studie geneeskunde in Leiden. Ank wordt longarts, Kiek psychiater.

Al vroeg maakt Kiek versjes en verhaaltjes die haar moeder noteert. Ze blijft schrijven, tot aan haar dood: gedichten, brieven, dagboeken en soms proza. Met de pen, want de typemachine, laat staan de computer, was voor haar een brug te ver. In 1936 – ze is zich aan het specialiseren tot psychiater in Santpoort - debuteert ze met een aantal gedichten in het tijdschrift Groot Nederland onder de naam M. Vasalis. Ze kiest heel bewust voor een sekseneutraal pseudoniem, vertelt Meijer. “Vrouwelijke dichters kwamen immers meteen in de categorie ‘niet belangrijk’ terecht. Zowel de schrijver Simon Vestdijk als Menno Ter Braak, die niet beseft dat het hier om een vrouwelijke dichter gaat, zijn meteen onder de indruk van haar werk. Ter Braak schrijft zelfs een essay naar aanleiding van het gedicht Tijd. Ze kreeg een head start in de literaire wereld van de jaren dertig.” Zelf bleef ze kritisch en verscheurde decennialang een groot deel van haar schrijfsels. Haar oeuvre is klein: honderdvijftig gedichten. Haar literaire zelfvertrouwen bleef gering, ook nadat ze later in haar carrière de Constantijn Huygens- en de PC Hooftprijs in ontvangst mocht nemen.

Uren, dagen, weken zwoegen op een gedicht is iets dat deze dichteres niet kent. “Het ontstaan van een gedicht lijkt bij haar een eruptieproces. Ze kan het alleen als ze in een soort meditatieve of mystieke mood is. Ze kijkt als het ware door de werkelijkheid heen, het gaat heel natuurlijk, alsof de muze haar iets influistert. Ze schrijft ze in een keer op, de woorden zijn heel eenvoudig.”

 

Er is geen einde en geen begin

Aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden,

Alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.

 

(Vasalis, fragment uit Afsluitdijk)

 

“Als je dat vergelijkt met die krullendraaiende negentiende eeuws aandoende Victor van Vriesland, Vasalis’ goede vriend en generatiegenoot … dat is niet meer te lezen, zo over the top. Haar werk heeft de tand des tijds doorstaan. Juist omdat mensen voelen dat het werk puur is.”

 

Liefde

De jonge dichteres is sterk van geest, maar behept met een zwakke gezondheid. Al jong leidt ze aan een zware vorm van reuma, en ook later tijdens haar leven moet ze regelmatig het bed houden vanwege verschillende klachten. Ze is gretig, wil dichten, cliënten behandelen, vrienden en familie zien, van het leven genieten. Meijer omschrijft haar als vrolijk en melancholisch, idealistisch en empathisch. Veel mensen kloppen bij haar aan om raad, nooit zegt ze nee. Na een paar verliefdheden loopt ze in Santpoort de psychiater Jan Droogleever Fortuyn tegen het lijf. Zij wordt verliefd, hij twijfelt lang, want is niet echt hoteldebotel, maar uiteindelijk trouwen ze in 1939 en krijgen een huwelijk dat Vasalis past als een handschoen. Geen alles opslorpende verliefdheid en totale liefde, maar ‘een houden van’ dat ruimte geeft aan “een soort eenzaamheid en armoede”, zal ze later aan Victor van Vriesland schrijven. In een brief legt ze hem uit waarom een liefdesrelatie – ze voelen veel voor elkaar - tussen hen beiden uitgesloten is. Sowieso zou ze Jan nooit verlaten, maar bovendien is de liefde tussen hen te volmaakt. Er moet afstand blijven, juist dat behoedt haar voor “een groot gevaar”.

 

Nee, niets ontbreekt aan onze liefde dan

De onvolmaaktheid – zonder welke men

Niet ademen, niet leven kan.

 

(Vasalis, fragment uit Afscheid)

 

Oorlog

In 1940 viert Vasalis de geboorte van oudste dochter Lous en verschijnt haar eerste bundel Parken en Woestijnen. Maar deze vreugdevolle gebeurtenissen zijn al van een rouwrand voorzien. De verschrikkingen van de oorlog grijpen haar aan. “Alle schrijven lijkt nu onzin”, staat in haar dagboek op 12 februari 1941 als ze hoort over de razzia’s. Ze voelt zich machteloos, vindt dat Nederland te weinig voor de joden doet en draagt haar steentje aan het verzet bij door onder andere een onderduikertje in huis te nemen. Als dan haar tweede kind – zoon Dicky – op jonge leeftijd aan polio overlijdt, en man Jan in een psychose belandt waar ze hem eigenhandig weer uitkrijgt, is de te dragen last immens groot. De hongerwinter moet dan nog komen.

 

Geheimtaal

M. Vasalis is een veelkantige persoonlijkheid, benadrukt Meijer. De Maastrichtse hoogleraar Gender en Diversiteit schreef een negenhonderd paginatellende biografie die leest als een levendige roman en boeit vanaf de eerste pagina’s. Negenhonderd bladzijden over een vrouw die bij leven (ze stierf in 1998) alle publiciteit schuwde. Ze wilde “uitsluitend via haar gedichten gekend worden”, gaf nooit interviews, stond vrijwel geen foto’s toe en schermde haar eigen privéleven en dat van haar vrienden en patiënten zo goed mogelijk af. Niet alleen had ze een bloedhekel aan het geroddel en geneuzel, “haar privéleven was ook de bron voor haar gedichten en dat moest ‘schoon’ blijven. Bovendien had ze een druk bestaan: werk, gezin en de poëzie”, zegt Meijer. “Ze voelde zich snel overvoerd. Ik denk dat ze aan het ‘high sensitivity syndroom’ leed. Deze mensen hebben veel behoefte aan alleen zijn, moeten zich beschermen tegen een te veel aan prikkels.”

 

Alles wat waar is, moet in vers geschreven zijn

In een geheimtaal, zelfs waarschijnlijk nog op rijm

Wat waar is kan alleen worden bewaard

Op gestileerde wijze, uitgespaard

 

(Vasalis, ongepubliceerd gedicht uit familiearchief)

 

“Paradoxaal genoeg maakt al die stilte over Vasalis’ eigen leven mensen nieuwsgierig. Er is uitgekeken naar dit werk”, vertelt Meijer, die voorzitter was van de VSB Poëzieprijs 2011 en zeer onlangs een boek samenstelde met de honderd beste gedichten. “Ik vond op de middelbare school haar werk al heel mooi en eenmaal bezig aan mijn proefschrift (1988: De lust tot lezen, red.) ontdekte ik dat zij weliswaar heel bekend was, maar weinig ‘echte’ literaire aandacht kreeg. Dat overkomt vrouwen vaker dan mannen. Haar gedichten werden afgedaan als simpel, terwijl ze dat absoluut niet zijn. Het was echt een gendervooroordeel. Neem haar eens wat serieuzer, dacht ik toen al.”

Meijer had al een aantal wetenschappelijk artikelen over Vasalis geschreven toen ze hoorde dat haar kinderen het nagelaten werk beheerden. “Mijn handen jeukten. Op een feestje bij Uitgeverij Van Oorschot vroeg ik of er al iemand mee bezig was. Nee, of ik er oren naar had? Ja, want ik wilde dolgraag dat werk zien. Als ik daar dan een biografie voor moest schrijven, dan moest dat maar”, zegt ze grinnikend.

Stapels brieven, dagboeken, ongepubliceerd dicht- en prozawerk, kattebelletjes, artikelen in tijdschriften. Alles mocht ze van de kinderen gebruiken, maar er was één voorwaarde: de biograaf moest recht doen aan de ethiek van hun moeder. “Ze wist heel veel van veel mensen: vrienden, familie en patiënten. Ik mocht niets schrijven dat iemand verdriet zou doen of schade zou toebrengen. Hun moeder had voor haar dood al censuur gepleegd: brieven die ze te persoonlijk vond, maar ook literair werk dat in haar ogen onder de maat was, heeft ze vernietigd. Ik kreeg geen beperking opgelegd als het over de Vasalis zelf ging. Als ze nimmer een biografie had gewild zou ze alles wel rigoureus hebben weggegooid.”

Als onderzoeker moest Meijer zich soms ook beperkingen opleggen. “Je raakt verslaafd aan de informatie die je krijgt. Bertus Aafjes was een goede vriend van Kiek. Hij had een kind met hersenbeschadiging, geen geld, geen eten, hij was aan de bedelstaf. Kiek hielp en troostte hem waar ze kon. Je komt heel ver in zo’n ander leven, ik was bijna de biografie van Aafjes aan het schrijven. Ik werd bij de les gehouden door de kinderen en mijn uitgever. Als je mij los had gelaten dan waren we op vijftienhonderd pagina’s uitgekomen. Nu heb ik er op het laatst nog tweehonderd – allerlei tekstinterpretaties - moeten schrappen. Het kostte veel pijn, soms voelde het alsof mijn arm werd afgerukt. Een boek moet zijn lengte verdienen. Als de lezer niets had willen missen, dan mag het zo dik zijn.”

 

Opgedroogde bron

Vasalis’ drukke en soms zware bestaan eisen uiteindelijk hun tol. “In 1954 sleept ze nog haar derde bundel Vergezichten en Gezichten voor de poorten van de hel weg. Daarna gaat het dichten niet meer. Hoe dat kan? Ze weet het zelf niet en piekert er veel over. Ik ben niet zo’n biograaf die dan even gaat zeggen wat er aan de hand is. Ze had een groot talent en een heel goed gevoel voor wat goed was. Ze was fysiek opgelucht als ze iets goeds las, van middelmatige zaken werd ze ellendig. Vasalis was hyperkritisch, misschien leed ze wel aan een verlammend soort perfectionisme.” Maar Meijer vermoedt dat er nog meer speelde: “Ze had hoogstwaarschijnlijk ook een disciplineprobleem. Haar man Jan wilde een schrijfhokje voor haar maken, zodat ze rustig zou kunnen werken. Zij wierp dan tegen: ik ben dokter, dat is het echte werk. Dichten doe ik erbij, zei ze, terwijl ze tegelijkertijd besefte dat het dichten het meest kostbare is dat ze had.”

De bron droogde op, maar Vasalis bleef stug proberen. Vlak voor haar dood werkte ze toch weer aan een bundel. De uitgave van De Oude Kustlijn (2002) maakte ze niet meer mee.

In haar archief vond Meijer nog een groot aantal ongepubliceerde gedichten: “Sommige heb ik weten te ontcijferen uit onooglijke kladjes papier. Een ongepubliceerd gedicht over haar zoon Dicky is ronduit goed.” Ook blijkt uit haar nalatenschap dat bepaalde gedichten rechtstreeks terug gaan op dromen die ze in haar dagboek noteerde. Onder andere de twee die ze na de dood van Dicky in 1943 schreef.

 

Ik droomde in de oorlog, dat het oorlog was

Een houten vliegtuig daalde uit de lucht

En wanklend reed het door het hoge gras

En stopte; kreunen, zingen en gezucht.

 

Als uit een ark kwamen de gewonde dieren

Van elk soort een, sleepten zich naar een tent

En die was ik, als waar ’t een hemel, aan ’t versieren

Met gras en bomen en een fonklend firmament

 

(Vasalis, fragment uit Phoenix 1)

 

Tenslotte: wat is eigenlijk een goed gedicht? Meijer: “Die vraag is net zo moeilijk te beantwoorden als de vraag wat is kunst? Een gedicht is niet goed als het te veel wil en als de woorden niet precies raak zijn. Er moet een raadsel in zitten en dat moet verborgen worden

en tegelijk onthuld. Het is als in een droom. Er wordt iets onthuld, maar dat gebeurt in een geheimtaal waardoor het je eindeloos blijft intrigeren. Een gedicht kan eenvoudig zijn, maar nooit simpel.”

 

 

Riki Janssen

Presentatie van de biografie M. Vasalis van Maaike Meijer op zondag 27 februari van 15.00 – 17.30 uur in Centre Ceramique, Avenue Ceramique 50 in Maastricht.

Op maandag 28 februari 20.00 uur in De Rode Hoed, Keizersgracht 102 in Amsterdam.

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)