Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

Je bent niet per se dom als je Limburgs spreekt

Je bent niet per se dom als je Limburgs spreekt

Photographer:Fotograaf: Loraine Bodewes Fotografie

Nieuwe hoogleraar Taalcultuur Limburg over dialecten, ABN en macht

“In de jaren zeventig is er onderzoek gedaan onder dialectsprekende kinderen in Kerkrade. Daar bleek dat ze van hun leerkrachten, eveneens mensen uit de regio, systematisch lagere cijfers kregen voor hun opstellen en dat de adviezen voor de vervolgopleiding ook structureel lager uitvielen. Als een onbekende docent de opstellen nakeek resulteerde dat in hogere cijfers. Er bestaat dus kennelijk een oordeel: als je dialect spreekt ben je tot minder in staat.”

 

Ze heeft het zelf aan den lijve ondervonden, zegt de kersverse hoogleraar Taalcultuur Limburg bij de faculteit cultuur- en maatschappijwetenschappen, Leonie Cornips (50). De bijzondere leerstoel is ingesteld door de Provincie en beslaat een dag per week, gedurende vier jaar. Cornips komt uit Heerlen en is daar in het Nederlands opgevoed, niet in het dialect. “Op school werd dat heel positief benaderd, voor mijn opstellen scoorde ik negens en tienen. Maar ik schreef ook wel eens een opstel voor vriendinnen, die dat vervolgens inleverden en dan altijd een lager cijfer kregen dan ik gewend was.”

Taal, betoogt ze, is een reflectie van maatschappelijke ongelijkheid, en dat maakt het zo fascinerend. “Staat een spreker hoog in de sociale hiërarchie, dan wordt zijn taal hoog gewaardeerd, en omgekeerd.”

De schok moet niet gering zijn geweest toen Cornips na de middelbare school, waar juist haar gebruik van het Nederlands haar een flinke streep voor gaf, in Amsterdam ging studeren. “Ze verstonden me niet. Als ik bij de slager een pond gehakt bestelde kreeg ik hart mee omdat ze kennelijk de ge niet hoorden. Ik had een poes dus daar kon ik dat wel aan kwijt, maar vervelend was het zeker.” Aan de universiteit, bij Nederlandse taal- en letterkunde, kreeg ze het advies om logopedie te gaan volgen. “En ik werd altijd geïmiteerd. Als ik een vraag stelde deden ze me na, een antwoord kwam er niet. Na een jaar van dat gepapegaai wil je wel eens iets van inhoud horen.”

Het logopedieadvies sloeg ze in de wind, bij de slager omzeilde ze het probleem door naar rundergehakt of half-om-half te vragen, “en ik ben harder en sneller gaan praten. Dat hielp. Ook het zangerige Limburgs verdwijnt doordat je sneller spreekt, de melodie hangt erg met het tempo samen.”

Verder ging de aanpassing niet. Ofschoon Cornips al dertig jaar in Amsterdam woont is de zachte g allerminst verdwenen, de Limburgse uitspraak van sommige woorden evenmin. “Vind ik ook niet nodig. Overigens verandert je spraak sowieso, ik merk bijvoorbeeld dat mijn klinkers iets zijn verschoven. Vooral de a als in kaas, dat is nu meer kaos, daar is een Amsterdams element in geslopen. Kijk, vanuit de Randstad gezien is dialect iets minderwaardigs en zijn de mensen die het spreken min of meer incompetent. Dus kun je je afvragen waarom we die Limburgse accenten niet afleren, want dan kunnen we makkelijker stijgen op de maatschappelijke ladder. Dat is een intrigerende vraag, vooral omdat taal ook een sociaal fenomeen is. Eind jaren tachtig is er onderzoek gedaan naar de oordelen over accenten, waarbij zowel vanuit het nationale als het regionale niveau werd gekeken. Daar bleken totaal tegengestelde effecten op te treden. Nationaal was er de associatie met incompetentie, maar regionaal was het juist een teken van binding met mensen, gezelligheid, samen een biertje drinken.”

 

Vondel

Taalgebruik is dus gekoppeld aan belangen, aan macht, aan de sociale positie van de sprekers, en dat is precies de invalshoek die Cornips bij haar onderzoek hanteert. Sterker, ze heeft uitdrukkelijk emancipatoire bedoelingen met haar werk, zei ze begin 2008 in een boekje van het Meertens Instituut waar ze onderzoeker is bij de afdeling variatielinguïstiek. “Ik wil de mensen die zulke variëteiten spreken een hart onder de riem steken. Je bent niet per se dom als je zo spreekt, (..) er ligt een even vernuftig systeem aan ten grondslag als aan het officiële Standaardnederlands”, zei ze toen.

Drie jaar later is haar stellingname nog iets radicaler. Cornips nu: “Mijn proefschrift ging over het HAN, het Heerlens Algemeen Nederlands. Toen ik eraan begon vroeg men mij waarom ik in godsnaam onderzoek ging doen naar foutief Nederlands. Maar het interessante is dat het taalkundig gezien een volwaardige variëteit is, grammaticaal zelfs logischer dan het Algemeen Beschaafd Nederlands, het ABN. Een voorbeeld: een zin als ‘we breiden de stad uit’ wordt in de intransitieve vorm ‘de stad breidt zich uit’. ‘Ik los de suiker op’ zou dan ‘de suiker lost zich op’ worden. Maar in het Nederlands wordt dat logische zich weggelaten, in het Heerlens staat het er. En zo zijn er veel meer voorbeelden waar het Heerlens, met duidelijke invloeden uit de Romaanse talen, logischer en consequenter is dan het onregelmatige en gekunstelde ABN. Tot op zekere hoogte is dat een zooitje. Als het Heerlens fout is, dan is het Frans, Italiaans, Spaans dat ook.”

In haar ogen schittert iets licht triomfantelijks. Cornips heeft zichtbaar plezier in dit betoog. “Laten we niet vergeten dat het ABN het dialect van de zeventiende-eeuwse Amsterdamse elite was. Hier, een citaat van Vondel uit 1650: ‘De taal die men zowel aan het stadhouderlijk hof en in de Statenvergadering in Den Haag als onder de kooplieden-regenten van metropool Amsterdam hoort, dient de regel voor beschaafd taalgebruik te zijn.’ Het was een spreektaal, dus die diende gecodificeerd te worden, er is honderden jaren aan gesleuteld en geschaafd. Het Amsterdams kende geen ‘zich’, ‘hij wast hem’ kon betekenen dat hij zichzelf of een ander waste. Je kunt dat tegenwoordig nog steeds horen. Dat ‘zich’ is meegekomen met Duitse immigranten uit het Rijnland. En de Statenbijbel heeft grote invloed gehad, die is vooral door mensen uit Oost-Nederland vertaald.”

Kortom, besluit Cornips, “als de elite in Maastricht of Heerlen had gezeten had ons land er taalkundig gezien heel anders uitgezien. En trouwens, vanuit Europees perspectief ligt Amsterdam ergens aan zee, aan de rand van het continent, volkomen perifeer.”  

 

Antropologisch

Taal heeft ook te maken met de constructie van een identiteit, zegt Cornips. Ze deed onderzoek onder jongeren van Marokkaanse komaf, vóór 2001, vóór de Twin Towers. “Als ik ze vroeg om zichzelf te omschrijven waren ze geen Marokkaan, geen Nederlander maar vooral ‘van de wijk’ waarin ze leefden. Nu, na de aanslagen, zeggen ze: ‘We zijn moslim.’ En wij kijken ook anders tegen hen aan. We zitten met z’n allen in een dynamisch proces van stereotyperen. Ik zou hier in Maastricht graag een nieuwe discipline willen beginnen, met een antropologische benadering van taalcultuur, taal als sociaal gedrag. Wat mensen zeggen en hoe ze het zeggen, het linguïstisch repertoire, hangt af van de context en met wie ze spreken. Je ziet dat mensen hun dialect gebruiken in de ene situatie en op het Nederlands overschakelen in een andere. De taalkeuze heeft een betekenis. Dat ga ik onderzoeken. En niet alleen het dialect, ook andere talen in Limburg, dat wat de Turken hier spreken, de Marokkanen, Poolse immigranten, van alles.”

 

Wammes Bos

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)