Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

“Wieltje, je leest je verstand nog weg”

“Wieltje, je leest je verstand nog weg”

Photographer:Fotograaf: Joey Roberts

Dichter/hoogleraar Wiel Kusters (65) neemt afscheid

Gevoelsmatig, zegt hij, is hij meer dichter dan academicus, “want poëzie, dat is vooral een manier om naar de wereld te kijken”. Wiel Kusters wordt 65 en neemt afscheid. Een gesprek met de mijnwerkerszoon die hoogleraar werd. Over zijn jeugd in Spekholzerheide, over de hoogtijdagen van het studentenactivisme, over de universiteit en het absolute dieptepunt in de facultaire geschiedenis.

Ooit wilde hij journalist worden. Of nee, eerst psychiater. Dat kwam door zijn eerste baan, administratief medewerker op de afdeling psychiatrie en neurologie van het Heerlense St. Joseph ziekenhuis. Zestien was Wiel Kusters (1947), met net mulo-B achter de rug. “Het was hels op die afdeling, je zag de verschrikkingen van de psychiatrie. Ik kwam er patiënten tegen, las statussen en brieven van de psychiaters, niet dat dat mocht maar ik moest ze in de administratie verwerken. Ik heb er een basale kennis van ziektebeelden opgedaan. Toen had ik even het idee: ik word later psychiater.”

Hoewel, nee, toch liever journalist. Op school in Spekholzerheide (Kerkrade) had hij een schoolblad opgericht, taal was zijn lust en zijn leven. “Ik kon al een beetje lezen voordat ik met zes jaar naar de eerste klas ging. Ja, in een mijnwerkersfamilie.”

Want, zegt hij, je hebt mijnwerkers en mijnwerkers. Grootvader werkte ondergronds, vader ook, “maar we woonden niet in de kolonie [hij zegt het op z’n Frans, de klemtoon op de laatste lettergreep], we woonden gewoon in het dorp, tussen mensen die andere beroepen uitoefenden. En mijn grootvader had zijn huis gekocht, zelf laten bouwen, dat was ongewoon in die kringen. ‘We zijn arbeiders maar we hoeven niemand naar de ogen te kijken’, die sfeer. Vooral mijn moeder bracht die trots in, dat je niet minder was dan een ander. En er was plaats voor intellectuele belangstelling, met mijn vader bekeek ik boekjes, er waren boeken in huis; niet veel, ze lagen onder de platenspeler. Premieboeken van de Margriet, een navertelde Robinson Crusoë. En mijn broer en ik leenden uit de parochiebibliotheek. Ik las zo veel en was volgens mijn moeder zo verstrooid, vergat van alles, dat ze tegen me zei: ‘Wieltje, je leest je verstand nog weg’. Ze noemde me ook wel Friets-je: Fritsje dus, want ze vond mij een vrolijk kind en dat hoorde (en legde) ze in de naam Fritsje. Ik was Fleute Friets-je: fluitend Fritsje.”

Het vrolijke Fritsje, op wiens rapporten zijn moeder zo trots was, ging na de lagere school echter naar de mulo. Zijn vriendje, niet merkbaar slimmer, mocht naar de hbs. Het was de eerste persoonlijke confrontatie met de consequenties van de standenmaatschappij: het vriendje was de zoon van een doctorandus, econoom bij de Staatsmijnen.

 

Stormbaanacrobaat

Kusters zegt: “Ik ben van de generatie die geprofiteerd heeft van de democratisering van het onderwijs.”

Maar dat betekende niet dat alles vanzelf ging. Wie hogerop wilde moest zich op eigen kracht verder knokken. En als administratief medewerker bij psychiatrie, tja: zo werd je dus nooit journalist. Omdat hem was verteld dat hij daarvoor de hbs moest halen, schreef hij zich in voor de avond-hbs en haalde het staatsexamen.

Om meteen daarna, in ‘67, het leger in te draaien: militaire dienstplicht, in die tijd nog 18 maanden. Hij werd ‘verbindingspik’, in Nieuw-Milligen. Hij vond het “militaire gedoe” niet fijn. “Ik ben niet voor soldaat in de wieg gelegd, ben geen stormbaanacrobaat, geen sporttype, en de hiërarchie is verschrikkelijk. Bovendien heb ik er behoefte aan om me soms terug te trekken, en dat kan niet in een kazerne.” Hij heeft erover geschreven in De onweerzitting, een mooi boekje met jeugdherinneringen uit 2000. Daarin verheelt hij niet dat hij er ook verschrikkelijke lol heeft gehad, onder anderen met mede-Limburger Felix Meurders (‘Felix’ in het boek), “die is twee jaar ouder en een ontzettende practical joker.”

 

Einzelgänger

Hij is van 1947, een babyboomer, lid van de protestgeneratie. Alleen, Wiel Kusters had helemaal geen zin om mee te draaien in die sfeer van opgewonden wereldverbeteraars. Hij hoefde de wereld niet te verbeteren, hij wilde erin vooruit. Niet per se de journalistiek in, dat ideaal vervaagde wat, hij kon ook leraar worden. Nederlands natuurlijk, zijn passie. Hij schreef al gedichten, er waren er zelfs al een paar gepubliceerd. Op dus naar Nijmegen, naar de universiteit, want daar gingen katholieke Limburgse jongens heen als ze wilden studeren. Maar het was 1968 en dat betekende: acties. “Ik kwam uit dienst, wilde aan de slag maar de bibliotheek werd bezet en de colleges geboycot. Ik dacht: ben ik eindelijk zover, gaan die verwende gymnasiasten staken! Daar had ik helemaal geen zin in. Ik ben een beetje een Einzelgänger gebleven, heb me buiten de studentenbeweging gehouden.”

Aan de andere kant was hij toch ook geen paria, ondanks het sociale verschil met zijn medestudenten. “Ik hoorde tot de eerste generatie arbeiderskinderen die ging studeren. Daar ben ik me altijd sterk van bewust geweest, maar ik had en heb er geen last van. Ik heb een vrij gemakkelijke omgang met mensen uit andere werelden. Kennelijk beschik ik over een groot zelfbewustzijn.” Hij ervaart niettemin wel “het anders-zijn, god, hoe moet ik dat zeggen.” Een gepijnigde blik. Dan - je bent literator of je bent het niet: “Daar moet ik eigenlijk over nadenken en erover schrijven om ’t goed te formuleren.”

En Kusters vergeet allerminst waar hij vandaan komt, integendeel. Hij schreef, dichtte veel over het mijnwerkersleven, hij werkt aan een nieuw boek, een “persoonlijk boek over de sociale geschiedenis van de mijnwerkers”, voor de stichting De koempel verhaalt,  in combinatie met een wetenschappelijke bundel onder redactie van Ad Knotter, directeur van het Sociaal Historisch Centrum Limburg. Nog altijd, zegt hij, zijn het “mijn mensen”. Toen hij twee jaar geleden een koninklijke onderscheiding kreeg was hij “plaatsvervangend trots”. Een brede glimlach. “Want mijn ouders, allebei dood intussen, zouden het geweldig hebben gevonden. Ik heb het geïncasseerd, voor hen.”

 

Brutaal

Het was niet toevallig dat Kusters in 1968 tussen de gymnasiasten belandde. Gymnasium gold als eis voor de studie Nederlands. Hij mocht weliswaar beginnen, met zijn hbs-a, maar een beurs kreeg hij niet en vóór het kandidaatsexamen diende hij het diploma op zak te hebben. Op eigen kracht leerde hij naast zijn studie Latijn en Grieks en haalde het staatsexamen op tijd. Hij leefde van de kinderbijslag en van de beurs van een vriendinnetje, Tonie. “Met haar ben ik nog steeds getrouwd.”

Twee studies tegelijk, als het ware. Van hard werken ga je niet dood, althans, als je geen mijnwerker bent. Zijn grootvader is uiteindelijk gestikt door de stoflongen. In De onweerzitting beschrijft hij met mededogen de laatste periode, een oude man die ook in de winter voor het open raam zit, om maar lucht te krijgen.

Hard werken: Kusters deed zijn studie binnen de gestelde termijn en was in het laatste jaar alvast leraar Nederlands in Sittard. Dat deed hij van ‘72 tot ’78, waarna hij stopte omdat hij tijd wilde hebben om een proefschrift te schrijven. Als ‘buitenpromovendus’ kreeg hij in ‘86 de versierselen, in de tussentijd verdiende hij als freelancer, bij NRC Handelsblad, daarna ook bij de radio, waar hij voor de KRO literaire programma’s maakte, “urenlang ouwehoeren over literatuur, schrijvers interviewen, heerlijk.”

Bij de NRC kwam hij binnen door gewoon brutaal te zijn: “Ik had altijd nog een beetje dat idee van journalist worden, en op een gegeven moment kwamen de verzamelde gedichten uit van Karel van de Woestijne, een Vlaams dichter èn oud-redacteur bij de NRC. Daar konden ze dus niet omheen, dacht ik, ze moeten er iets mee doen maar dat kunnen ze vast niet. Toen heb ik een stuk ter grootte van een pagina ingestuurd. Ik werd teruggebeld met de vraag of ik niet méér voor ze wilde doen.”

 

Zum Tode

Het freelance bestaan is mooi maar eenzaam. Kusters wilde collega’s, een gasthoogleraarschap Nederlandse letterkunde in Berlijn had hem op het spoor gezet van een academische carrière en toen in ’89 de (toen nog) Rijksuniversiteit Limburg een bijzonder hoogleraar Algemene en Nederlandse letterkunde zocht voor de faculteit der algemene wetenschappen (AW), greep hij de kans met beide handen aan. AW was destijds een onwaarschijnlijke verzameling van vier vakgroepen, geschiedenis, wijsbegeerte, informatica en wiskunde, die ‘service-onderwijs’ verzorgden in de ‘echte’ faculteiten. Kusters paste in geen enkele groep. Dat veranderde toen de alfakant van de faculteit eerst een eigen studierichting uit de grond stampte, cultuur- en wetenschapsstudies, en zich niet lang daarna losscheurde uit AW. Kusters was toen al bestuurslid geweest van de faculteit AW (“ik schrok ervan toen men mij vroeg, ik was een buitenbeentje; toch was dat óók wel weer boeiend”) en werd nu de eerste decaan van CW, cultuurwetenschappen, tegenwoordig cultuur- en maatschappijwetenschappen.

De periode was er een van grote contrasten, letterlijk himmelhoch jauchzend und zum Tode betrübt. De goedkeuring van CWS, dat was toch wel het hoogtepunt in zijn universitaire bestaan, zegt Kusters. Het samen iets geheel nieuws bedenken, ontwikkelen en bouwen dat vervolgens ook nog succes heeft, hoe vaak komt zoiets voor? Maar tijdens zijn decanaat vond tevens de gebeurtenis plaats die een facultair trauma opleverde dat nog altijd doorwerkt. Kusters: “Niemand van hen die er bij waren, vergeet dit ooit nog. Voor mij geldt dat telkens wanneer ergens in een instelling, een school zoiets aan de hand is, dat er doden vallen, het terugkomt. Dan is het weer helemaal aanwezig.”

Het was een sombere winterochtend in januari 1996 toen de secretaresse van het bestuur, José de Groot, in haar kantoor in het CW-pand aan de Kapoenstraat door haar man werd doodgestoken. Het paar lag in scheiding. Kusters zat boven in zijn decaanskamer toen Amanda Kluveld, destijds aio, nu hoofddocent, langs kwam rennen en riep dat ze moest bellen, dat er iets verschrikkelijks was gebeurd. Kusters ging naar beneden “en daar lag José, haar man op een stoel ernaast, voorover gebogen, ik weet niet of hij het mes nog in zijn hand had.”

José de Groot was geliefd, een spil in de nog jonge faculteit, en de klap was enorm. Kusters besefte dat hij als decaan een centrale rol had te spelen. “Maar hoe precies, dat weet je niet, het is moeilijk te analyseren. Je weet niet wat je moet doen. Ik raakte niet in paniek maar stond wel op scherp.”

Hij deed het goed, zijn optreden werd gewaardeerd, zo valt na te lezen in het verslag dat Observant destijds maakte. Kusters schreef ’s nachts een gedicht dat hij de volgende dag, toen de faculteit weer bijeen was in de Spiegelzaal van het gebouw, voorlas. “Ik was blij dat ik ‘s morgens weer naar de faculteit kon. Er was een enorme onderlinge verbondenheid. De mensen van slachtofferhulp hadden niets te doen, we konden het onder elkaar af.”

Wat Kusters ook deed: de faculteit afschermen van ongewenste indringers, vooral de media. Met zachte stem: “Op jou ben ik ook nog boos geweest. We wilden met rust gelaten worden. Ik snapte wel dat jullie er niet omheen konden, maar toch.” Echt boos werd hij op mensen “van de Nieuwe Revu, of de Panorama, ik weet het niet meer, die hadden een rubriek ‘de moord van de week’. Dat vond ik walgelijk.”

 

Nederlands

Hij heeft de faculteit al die jaren als “een warm nest” ervaren. Ook toen het Engelstalige  European Studies opkwam en snel meer studenten wist te trekken dan CWS, zijn thuisbasis.

“Er zijn spanningen geweest, de faculteit kende twee flanken waarvan een dominant werd, dan krijg je discussies over de verdeling van het geld. Het had uit elkaar kunnen vallen maar dat is niet gebeurd, men zag het belang ervan in om samen verder te gaan.”

Het evenwicht met ES werd hersteld toen er een Engelse track van het Nederlandstalige CWS kwam. Maar de keerzijde was een afnemende populariteit en zelfs dreigende sluiting van de Nederlandse variant; er zijn studenten die zeggen dat de faculteit deze zelfs ontraadde ten gunste van de Engelse versie. Kusters: “Is dat zo? Daar zou ik erg boos over zijn. Ik kan het me niet voorstellen. Ik blijf ook vinden dat het Nederlandse spoor geheel in het Nederlands moet plaatsvinden. Om financiële redenen kun je besluiten om de hoorcolleges allemaal in het Engels te doen in plaats van twee keer, maar daar ben ik niet voor. Docenten moeten zich blijven bekwamen in het Nederlands. Als wij dat uit handen laten vallen, wie gaat het dan doen? Het eist constante zorg om het Nederlands boven water te houden. Ik was ook erg blij met de woorden van de nieuwe collegevoorzitter, Martin Paul, die meteen bij zijn aantreden het belang schetste van een internationale universiteit met stevige wortels in de regio: die twee elementen. Met zijn voorganger, Jo Ritzen, die het Engels erg pushte, heb ik eens een gesprek aangevraagd toen hij aankondigde dat we voortaan Maastricht University zouden heten. Die naam is weliswaar officieel niet toegestaan maar hij wordt wel veel gebruikt. We werden het niet eens.”

Er is nu consensus, zegt Kusters, dat bij CWS de twee stromen naast elkaar blijven bestaan maar niet als kopie van elkaar. “Differentiëren, dat is de oplossing. Als het over de Lage Landen gaat is de literatuur vaak Nederlandstalig, dat kun je niet in de Engelse variant aanbieden. Omgekeerd moeten we ook studenten afleveren die in ons land en in de regio gaan werken. Dan is het belangrijk dat je niet vreemd staat tegenover de Nederlandse cultuur.”

 

Precies op zijn 65e verjaardag houdt hij zijn afscheidsrede. Maar hij “blijft betrokken bij de faculteit, dat is me gevraagd, ik weet nog niet hoe. Bij het onderzoek, colleges geven, daar moeten we nog afspraken over maken. Ik vind het niet erg dat ik moet ophouden, ik heb genoeg werk, ben bezig aan de biografie van Kees Fens, die komt in 2013 uit en er zijn nog talloze andere projecten. En ik blijf natuurlijk dichten.”

 

Zijn moeder had ongelijk. Dat verstand, dat is nooit weggelezen.

 

 

 

 

 

 

Wammes Bos

Afscheidsrede Wiel Kusters vrijdag 1 juni om 16.00 uur, aula Minderbroedersberg

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)