"Onderzoek is een worsteling die niet altijd goed afloopt"

'Mislukkingen' in de wetenschap

18-01-2021

​Chique congressen, gepolijste presentaties en glossy tijdschriften. De wereld van de wetenschap lijkt één groot succesverhaal. Lijkt, want de werkelijkheid is natuurlijk anders. In deze serie zoekt Observant naar de misstappen, de tegenslagen, de vergissingen, de onverwachte wendingen. Want ook dat, of misschien juist dat, is wetenschap. Vandaag: Gijs van Dijck, hoogleraar privaatrecht.

Aan het eind van het interview twijfelt prof. Gijs van Dijck aan zijn verhaal. Heeft hij wel voldoende duidelijk gemaakt wat hij wilde overbrengen? Dat wetenschap een ware worsteling is. Dat de juichmomenten - het innen van subsidie, de publicatie in het tijdschrift - maar een fractie van het werk bestrijken. Dat de dagelijkse routine bestaat uit nadenken, discussiëren, schrijven, herschrijven, weggooien, en opnieuw beginnen. 

En dat deze worsteling niet altijd goed afloopt. Van Dijck heeft gepubliceerd in toptijdschriften, zeker, maar er staan ook artikelen op zijn harde schijf “die nooit artikel zijn geworden”, zegt hij. “Die te saai bleken, of niet interessant genoeg of alleen voor mezelf, niet voor de wereld. Of stukken waarbij je achteraf moest toegeven dat je ernaast zat. Dat ziet niemand, afgezien van een paar naaste collega’s.”

Sancties

Wat ook onvermeld blijft: hoe chaotisch onderzoek kan lopen. Het is niets iets wat bij A begint en dan via B, C, D, eindigt bij E, zegt Van Dijck, die zich als jurist niet alleen met interpretatie van wetteksten bezighoudt maar ook empirisch onderzoek doet. Anders dan de studieboeken suggereren, is het allemaal veel rommeliger en onvoorspelbaarder.

Ter illustratie: zijn studie naar de Nederlandse slachtoffers van seksueel misbruik door de Rooms-Katholieke Kerk. In het bijzonder naar de klachtenprocedure, die afweek van de normale gang van zaken.

“In de regel ga je als slachtoffer naar de rechter en die bepaalt of er sprake is van laakbaar gedrag, en zo ja, of je schadevergoeding krijgt. In dit geval waren die twee zaken uit elkaar getrokken. Slachtoffers deden eerst hun verhaal bij een commissie die het misbruik toetste en daarna konden ze eventueel door naar de zogeheten Compensatiecommissie.”

Ook anders dan anders was dat de slachtoffers konden aangeven wat ze wilden: excuses, sancties, erkenning, smartengeld. Dus vroeg Van Dijck zich af: wie gaat nou wel en niet door naar de Compensatiecommissie? Ook degenen die excuses verlangen? En zo ja, is er een specifieke samenhang met het type misbruik, variërend van aanraking tot penetratie? 

Toevallig

Helaas, deze laatste vragen konden de prullenbak in, want wat bleek: nagenoeg iedereen eiste een financiële vergoeding. “Op zich relevant, maar interessanter is natuurlijk als er een relatie komt bovendrijven tussen het verlangen naar excuses, het type misbruik en het eisen van smartengeld. Maar goed, hier kom je dus al doende achter. Ik had het tevoren kunnen bedenken, maar dat is wijsheid achteraf.”

Daarnaast turfde Van Dijck wat de slachtoffers wilden en of ze dat uiteindelijk kregen. En wie schetst zijn verbazing: dat bleek lang niet altijd het geval. “Zocht iemand excuses, dan eiste de commissie van de kerk bijvoorbeeld erkenning van het leed. Iets anders dus dan wat de slachtoffers vroegen, heel vreemd. Het leken soms slagen in de lucht. Helemaal nadat we ontdekten dat de vervulling van de wensen van slachtoffers sterk afhing van welke commissieleden oftewel ‘geschillenbeslechters’ (van de 27 in totaal) zich over de zaak bogen. Een interessante vondst, maar volstrekt toevallig.”

Die publiceerde hij in “wat wordt beschouwd als een toptijdschrift”, zegt de jurist, “hoewel ik van tevoren dus helemaal geen oog had voor de rol van die individuele geschillenbeslechters.”

Zijstraat

Waar ook geen peil op te trekken valt, of beter, wat vaker mislukt dan slaagt: het binnenhalen van subsidie. Van Dijck doet zo’n vijftien aanvragen per jaar de deur uit, waarvan er twee, soms drie, in de prijzen vallen. “Daar krijg ik dan alle lof voor, maar dertien keer levert het niets op.” 

Faculteiten worden erg blij als onderzoekers subsidie in de wacht slepen, zegt Van Dijck. “Maar het lijkt me niet handig, zacht uitgedrukt, om onderzoekers op grond daarvan te belonen, al is het met schouderklopjes. Ik heb weleens geld gekregen voor projecten die weinig om het lijf hadden, terwijl boeiende voorstellen meteen werden afgeschoten. Staar je niet blind op die zak met geld, adviseer ik jonge onderzoekers, maar gebruik de aanvraag als een stimulans om ideeën te bedenken, samenwerking te zoeken.” 

Voor een riskant idee, dat kan mislukken, is het helemaal moeilijk om geld te krijgen, weet Van Dijck. De financiers spelen vaak op safe en honoreren aanvragen waarbij er weinig fout kan gaan. “Dat is de reden dat veel voorstellen tegenwoordig zijn gebaseerd op een eerdere (pilot)studie. Je weet al welke methoden je nodig hebt, dat het haalbaar is, en soms zelfs wat eruit komt. Alleen, hoe innovatief zijn die voorstellen nog?”

Zijn promovendi vragen weleens: wat als je al die interviews hebt gedaan of al die data hebt verzameld en er komt niets uit? Van Dijck: “Er komt altijd wat uit. Je moet blijven zoeken, hongerig blijven. En ja, als het onderzoek een wending neemt, moet je soms een zijstraat inslaan. Of toch, heel soms, opnieuw beginnen.”

 

“Falen om tot iets moois te komen”

In de wetenschap gaat een hoop mis. Natuurlijk, dat gebeurt overal, maar waarom komen de mislukkingen, tegenslagen of doodlopende wegen in het onderzoek zelden aan het licht? Komt dat door de enorme druk op wetenschappers om te scoren? Is falen daarom een taboe? 

“We hebben onrealistische verwachtingen van wetenschappers”, zegt recent afgestudeerd wetenschapshistoricus Martijn van der Meer. “Als het wat normaler zou zijn om te falen in de wetenschap, zou het werkklimaat meteen een stuk gezonder en prettiger zijn. Falen is soms nodig om tot iets moois te komen.”

Van der Meer is een van de Utrechtse masterstudenten die het Journal of Trial and Error (JOTE) hebben opgericht. Het is een open-access tijdschrift dat negatieve, niet-significante resultaten omarmt in plaats van schuwt. 

Het tijdschrift, dat in november voor het eerst verscheen, is er niet om sloppy science te verheerlijken, zegt Van der Meer. Papers waarvan de statistiek niet klopt of de data niet goed zijn verzameld, of die gewoon rommelig zijn geschreven, worden afgewezen. Alle artikelen ondergaan een strenge peer-review en verschijnen eerst online in ‘preprint’. 

Met het aanbod van artikelen loopt het nog geen storm. “Er ligt meer dan genoeg in de ladekasten”, vermoedt Van der Meer, “maar mensen moeten wel durven. Mogelijk zijn sommigen bang dat een publicatie in een tijdschrift voor ‘mislukte’ wetenschap niet goed staat op hun cv.” En dat is precies het probleem dat JOTE wil aankaarten. (HOP)

Gijs van Dijck