Discussie bij FPN over voldoende/onvoldoende-beoordeling

01-02-2021

MAASTRICHT. Een student geen cijfer meer geven voor een tentamen, maar alleen een voldoende of onvoldoende: wat zijn de voor- en nadelen? Dat werd besproken in de laatste faculteitsraadsvergadering van de faculteit psychologie en neurowetenschap.

Vanwege de coronacrisis besloot het FPN-bestuur in het voorjaar om studenten geen cijfer te geven voor sommige tentamens. In plaats daarvan krijgen ze alleen te horen of het is gehaald of niet; de zogenaamde voldoende/onvoldoende-beoordeling.

Het idee: studenten zijn minder gestrest als ze niet de druk voelen om een hoog cijfer te halen om zo hun gemiddelde (GPA) op peil te houden. “Ze moesten al wennen aan een andere manier van examinering”, zei Petra Hurks, vice-decaan onderwijs, tijdens de vergadering. De studenten kregen bijvoorbeeld een online tentamen of open vragen in plaats van meerkeuzevragen.

Pilot

In 2019 begon de faculteit al met een experiment met de voldoende/onvoldoende-beoordeling, in het tweedejaarsblok Man and Machine. “We merken dat studenten tijdens de groepsdiscussies vooral focussen op de stof die belangrijk is voor het tentamen”, zei blokcoördinator en initiatiefnemer van het experiment Herco Fonteijn daar toen over in Observant. “Ze zijn bang een tiende lager te scoren als ze te veel tijd besteden aan iets wat ze leuk vinden, maar wat misschien niet aan bod komt.”

Het plan was om de pilot drie jaar te laten lopen. Als de resultaten positief waren – zowel wat betreft studentenwelzijn en -tevredenheid, als inhoud van de discussies en tentamenuitslagen – dan zou de faculteit de voldoende/onvoldoende-beoordeling in meer blokken introduceren. Door de coronacrisis is dit nu in een stroomversnelling gekomen.

GPA

Iets te snel naar de zin van de raad. “Vijftig procent van de eerstejaarsvakken heeft nu een voldoende/onvoldoende-beoordeling”, merkte WP-raadslid Anna Sagana op. “Dat vind ik veel, zeker als we na de crisis zo verder zouden gaan. Ik wil best de traditionele cijferbeoordeling bespreken, maar dan moeten we ook naar andere alternatieven kijken. Ik ben bang dat dit vooral de stress van de student maskeert. Je moet nog steeds een tentamen halen.”

Studentlid Ana Reinartz Groba vroeg zich af hoe het moet met studenten die een master willen doen, waar men om een bepaald GPA vraagt. Hurks opperde dat de faculteit een brief bij de cijferlijst kan doen, waarin ze uitleggen dat het GPA is gebaseerd op minder vakken. In een brief die Fonteijn aan de raad schreef, zegt hij dat het weinig verschil zou maken. “In 2018/2019 was het gemiddelde cijfer een 7,57. Als je de zeven blokken wegstreept die nu vanwege corona een voldoende/onvoldoende-beoordeling hebben, kom je uit op een 7,46.”

Twijfels

Het was niet genoeg om de twijfels bij de raadsleden weg te nemen. “Studenten zijn minder gemotiveerd om hard te werken voor voldoende/onvoldoende”, zei studentlid Nokhez Usama. “En je kunt dan ook niet meer je vooruitgang door het jaar heen zien. Bovendien, wat doen we met het selecteren van student-tutoren? Het is nu een voorwaarde dat je zelf een goed resultaat voor dat vak had.” WP-lid Michael Capalbo merkte op dat eenzelfde probleem ontstaat bij het selecteren van studenten voor het honoursprogramma.

De discussie werd besloten met een belofte er later verder op door te gaan, niet alleen binnen de raad, maar ook binnen de rest van de faculteit. Decaan Harald Merckelbach vroeg de raad na te denken over welk percentage voldoen/onvoldoende-beoordelingen in een jaar ze acceptabel zouden vinden. Raadsvoorzitter Capalbo liet al weten dat het zeker onder de huidige 50 procent moet liggen.

Auteur: Cleo Freriks
Categoriëen: Nieuws,
Tags: FPN,raad,toetsing,pass/fail

Reacties

Henk van Berkel

In Nederland is een lange traditie om waarderingen in het onderwijs uit te drukken op een tienpuntsschaal. Hierbij wordt de ruwe score omgezet in een cijfer dat kan lopen van 1 tot en met 10. Een tienpuntsschaal is echter tamelijk willekeurig. In andere landen hanteert men andere schalen, bijvoorbeeld een twintigpuntsschaal in Frankrijk en België en een vijfpuntsschaal in de Angelsaksische landen. Kennelijk is de keuze voor het aantal punten (vaak wordt de term klassen gebruikt) op een meetschaal eerder gebaseerd op gewoonte en traditie dan op rationele overwegingen.

Die rationele overwegingen zijn er wel degelijk. het gaat om de meetfout. Een student behaalt bijvoorbeeld een score van 70 op een maximum van 100. Doordat de meting (de toets) niet honderd procent betrouwbaar is geweest, is het niet zeker dat de score inderdaad precies 70 is. Het zou kunnen zijn dat het interval waarvan men met 95% zekerheid mag zeggen dat de score daar binnen ligt, loopt van 64 tot en met 76. Met andere woorden, een score van 64 mag statistisch worden gelijkgesteld aan een score van 76. Als men nu een tienpuntsschaal hanteert bij het omzetten van de score in een cijfer, verkrijgt de student met een score van 70 een ‘7'. Maar gezien de meetfout kan de (afgeronde) score, statistisch gezien, net zo goed een ‘6' zijn als een ‘8'. Er kan dus een classificatiefout zijn opgetreden. Als men echter een tweepuntsschaal had gehanteerd met als klassen voldoende/onvoldoende, had men de score van 70 geoormerkt als voldoende, evenals de statistisch mogelijke scores 64 en 76. Er zouden dan geen classificatiefouten zijn gemaakt. Over het algemeen geldt: het aantal classificatiefouten neemt toe naarmate het aantal klassen toeneemt, tenzij de toets 100% betrouwbaar is. Dat laatste is echter nooit het geval. Daarom luidt de vuistregel:

Het aantal klassen op een meetschaal is afhankelijk van de te verwachten betrouwbaarheid. Hoe hoger de betrouwbaarheid, des te meer klassen een meetschaal mag bevatten.

Voeg reactie toe

privacy link