Studie stopt na faillissement GGZ-instelling

‘Mislukkingen’ in de wetenschap

08-02-2021

Chique congressen, gepolijste presentaties en glossy tijdschriften. De wereld van de wetenschap lijkt één groot succesverhaal. Lijkt, want de werkelijkheid is natuurlijk anders. In deze serie zoekt Observant naar de misstappen, de tegenslagen, de vergissingen, de onverwachte wendingen. Want ook dat, of misschien juist dat, is wetenschap. Vandaag: Anita Jansen, hoogleraar klinische psychologie.

Herstellen boulimiapatiënten, bij wie eetbuien en braaksessies elkaar afwisselen, als ze in therapie verlost worden van hun gedachtekronkels? Zoals daar zijn: ik zie er moddervet uit, ik ben niets waard, het hele bord moet leeg. Of is het aanpakken van dit soort denkfouten maar het halve werk? Is er meer nodig dan alleen de therapeutische gesprekken? Moeten patiënten ook de straat op, de situaties opzoeken waar ze bang voor zijn? Zonder make-up naar een feest bijvoorbeeld, of in de spiegel kijken naar de ‘lelijke’ delen van hun lichaam.

Met die vragen begon het allemaal, ergens in 2013, zegt eetprofessor Anita Jansen. “Ik had geen subsidie voor dit project, want financiers besteden hun geld meestal aan stoornissen waar meer mensen last van hebben, zoals depressie en angst. Eetstoornissen treft hoogstens 5 procent van de bevolking. Maar goed, geen geld betekent geen onderzoeker die de kar trekt, dus toen besloot ik maar om het zelf te doen.”

Zeven therapeuten 

Tussen de bedrijven door schreef Jansen, die ook een VICI-project leidde, de aanvraag voor de medisch-ethische toetsing, het onderzoeks- en behandelprotocol, en trainde zeven therapeuten, allemaal verbonden aan de Maastrichtse Riagg.

Met deze instelling tegenover het treinstation werkte de faculteit psychologie en neurowetenschap al sinds de jaren tachtig nauw samen, onder de vlag van het landelijke project academisering GGZ. De UM-psychologen doen onderzoek in de kliniek en behandelen patiënten, terwijl Riagg-therapeuten les geven aan psychologiestudenten, die dat zeer waarderen. Dit om wetenschap, onderwijs en zorg te verbeteren. 

Einde oefening

Kort na de start van de studie volgt in 2015 het eerste schrikmoment. De Maastrichtse Riagg, nog een van de laatste zelfstandige vestigingen in Nederland, raakte financieel in zwaar weer en besloot te fuseren met de particuliere zorgaanbieder Virenze. “Gelukkig liep de academisering, maar ook ons onderzoek geen gevaar. In totaal draaiden daar toen wel veertig studies van ons.”

Inmiddels had Jansen het experiment uit handen gegeven: in 2016 werd ze decaan van de faculteit psychologie en neurowetenschap. De jonge onderzoeker Lotte Lemmens nam het stokje over . 

Zo’n klinische studie is heel arbeidsintensief, zegt Jansen. “Zestien wekelijkse therapiesessies voor elke patiënt, uitgebreide metingen voor, tijdens en na, en therapeuten die ook andere patiënten behandelen. Dus per jaar verzamelden we van slechts vijftien patiënten data. Bij de een pakten we alleen de denkfouten aan, bij de ander gebeurde dat in samenhang met de real-life confrontaties, die we ook wel exposure noemen. Tegelijk probeerden we te achterhalen wat nou precies de werkzame bestanddelen zijn van effectieve therapie. En of exposure nodig was voor betere resultaten.”

De jaren verstrijken en de studie vordert gestaag, totdat eind 2017 het doek definitief valt: Virenze Riagg blijkt failliet. Het was geen klap bij heldere hemel, zegt Jansen. “De financiële problemen dienden zich al eerder aan, en sommige hulpverleners hadden al hun biezen gepakt, onder wie enkele therapeuten van ons. En dan is het ineens einde oefening, ook voor ons experiment.”

MET ggz, ook een particuliere instelling, nam het roer over op de Parallelweg. “Maar ‘mijn’ therapeuten, die we allemaal zo zorgvuldig hadden getraind, en de onderzoeksassistenten die precies wisten wat ze moesten doen, vervang je niet zomaar.” 

Waanzinnig

Jansen baalde ontzettend, als onderzoeker en als decaan, want het faillissement was tegelijk de doodsteek voor vrijwel de hele academisering: niet alleen haar studie stopte, ook de andere 39 van de faculteit. MET ggz had in eerste instantie geen interesse in wetenschappelijke samenwerking.

“Ik was het zo zat, dat ik dacht: we moeten een eigen GGZ-instelling op poten zetten. Ik zag een academisch centrum voor me in Randwijck, waar patiënten behandeld worden en tegelijk meedoen aan onderzoek naar betere behandelingen. Geen rare testen hoor, want alles moet hoe dan ook medisch-ethisch worden goedgekeurd. Collega’s vonden het een stoer plan en hadden al een naam bedacht: Psymosa.”

Jansen is erover gaan praten met het ziekenhuis en de Faculteit Health, Medicine & Life sciences, die het een goed idee vonden. “Alleen is het ondanks een hoop inspanningen nog niet van de grond gekomen. Het hangt nog steeds boven de tafel, terwijl het waanzinnig belangrijk is. Ook voor de eigen studenten en medewerkers, van wie een deel psychische problemen heeft, zeker nu. Er is gewoon enorm veel bestaansrecht voor zo’n instelling. Vergelijk het met een academisch ziekenhuis, maar dan voor de GGZ. Op kleinere schaal natuurlijk.”

Betuwelijn

Een eigen kliniek; dat betekent dat je niet bent overgeleverd aan de grillen van een instelling, en waarin academisch onderzoek toch altijd een ondergeschoven kindje is, zegt Jansen.

Als het zoveel voordelen heeft, waarom is er dan nog niets van de grond gekomen? “De zorgverzekeraar, die de behandelingen moet betalen, zit niet echt te wachten op nog een nieuwe instelling in Zuid-Limburg, waar al veel kleine zorgaanbieders actief zijn. Al zeggen ze tegen ons dat ze zeer geïnteresseerd zijn in een geacademiseerde instelling. Ook de huidige decaan Harald Merckelbach ziet er het grote belang van in. Het is dan ook niet de vraag óf maar wanneer de instelling er komt.”

En het onderzoek? Hoe staat het daarmee? “Ik had verwacht dat we Psymosa binnen een jaar wel hadden opgericht en de draad van het onderzoek konden oppakken, niet dus. Maar goed, alles ligt klaar, we kunnen zo door. Wel moeten we alle therapeuten en onderzoeksassistenten opnieuw trainen. Een groter probleem is dat we geen follow-up-metingen hebben van de patiënten die eerder hebben meegedaan, maar ook dat is overkomelijk.”

Jansen is vastberaden, de studie zal worden afgerond. De vraag over denkfouten en exposure is nog steeds wetenschappelijk interessant. Grappend: “En het heeft ondertussen zoveel geld gekost dat het langzamerhand in de buurt komt van de Betuwelijn.”

 

“Falen om tot iets moois te komen”

In de wetenschap gaat een hoop mis. Natuurlijk, dat gebeurt overal, maar waarom komen de mislukkingen, tegenslagen of doodlopende wegen in het onderzoek zelden aan het licht? Komt dat door de enorme druk op wetenschappers om te scoren? Is falen daarom een taboe? 

“We hebben onrealistische verwachtingen van wetenschappers”, zegt recent afgestudeerd wetenschapshistoricus Martijn van der Meer. “Als het wat normaler zou zijn om te falen in de wetenschap, zou het werkklimaat meteen een stuk gezonder en prettiger zijn. Falen is soms nodig om tot iets moois te komen.”

Van der Meer is een van de Utrechtse masterstudenten die het Journal of Trial and Error (JOTE) hebben opgericht. Het is een open-access tijdschrift dat negatieve, niet-significante resultaten omarmt in plaats van schuwt. 

Het tijdschrift, dat in november voor het eerst verscheen, is er niet om sloppy science te verheerlijken, zegt Van der Meer. Papers waarvan de statistiek niet klopt of de data niet goed zijn verzameld, of die gewoon rommelig zijn geschreven, worden afgewezen. Alle artikelen ondergaan een strenge peer-review en verschijnen eerst online in ‘preprint’. 

Met het aanbod van artikelen loopt het nog geen storm. “Er ligt meer dan genoeg in de ladekasten”, vermoedt Van der Meer, “maar mensen moeten wel durven. Mogelijk zijn sommigen bang dat een publicatie in een tijdschrift voor ‘mislukte’ wetenschap niet goed staat op hun cv.” En dat is precies het probleem dat JOTE wil aankaarten. (HOP)

Studie stopt na faillissement GGZ-instelling
Anita Jansen