“Universitaire democratie leidt tot betere beslissingen”

“Universitaire democratie leidt tot betere beslissingen”

17-05-2021

Deze week wordt er aan de Universiteit Maastricht gestemd voor de universiteitsraad en de faculteits- en dienstraden. Maar wat is goede medezeggenschap aan de universiteit? Ook het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wil dat weten. Begin maart stuurde het ministerie daarom een enquête naar de medezeggenschapsorganen in het hoger onderwijs. De uitkomsten daarvan zijn er nog niet, dus Observant maakte zelf alvast een rondje en sprak met drie (oud-)raadsleden over universitaire democratie, de macht van de raden en het besluit of agendapunt waar ze het meest trots op zijn.

Democratie op de universiteit: goed of niet?

Zeker goed, daarover zijn de drie (oud-)raadsleden het eens. Allereerst creëer je betrokkenheid, zegt Sjaak Koenis, politiek filosoof en oud-universiteitsraadslid. Natuurlijk, als er eindeloos over kwesties gesproken wordt, kan democratie  efficiënte besluitvorming blokkeren, erkent hij. Wanneer één persoon of een groepje het voor het zeggen heeft kunnen er veel sneller knopen door worden gehakt. Toch is democratie op de lange termijn de meest efficiënte manier, denkt Koenis. Door voldoende overleg en stemmingen staan niet alleen de neuzen dezelfde kant uit, maar ook is de “kwaliteit van de beslissingen hoger”.

Anna Sagana, universitair docent forensische psychologie en raadslid bij de faculteitsraad van de Faculty of Psychology and Neuroscience, vindt het vanzelfsprekend dat er democratie is op de universiteit. “We bereiden studenten voor op het leven in een democratische samenleving, dan moet je ze ook zo ‘grootbrengen’.”

Ook Alastair Hannaford, masterstudent aan de rechtenfaculteit en U-raadslid, is blij met de universitaire democratie. “Universiteiten hebben daardoor aandacht voor de behoeften van studenten en staf.” Veel meer dan in zijn thuisland Groot-Brittannië bijvoorbeeld, waar er maar een enkele student in de raden te vinden is en ze nauwelijks gehoord worden. “In Nederland is er een betere balans tussen wat de studenten en medewerkers willen. Dat komt omdat zij meepraten op het hoogste bestuursniveau.”

Wel vraagt Hannaford zich af of je aan de UM wel van een vertegenwoordiging mag spreken omdat de opkomst zo laag is (23,5 procent bij de studentengeledingen vorig jaar). Vooral de studenten die iemand op de lijst kennen gaan stemmen, denkt hij. De studentvertegenwoordigers – “in alle soorten medezeggenschapsorganen” – moeten daarom ook buiten de verkiezingen om van zich laten horen, vindt hij. Dat geldt ook voor het personeel, zegt Sagana. “Meer nog dan voor de studenten, die zijn vaak beter georganiseerd.” Hannaford: “Ook zou de UM haar communicatiekanalen beter in kunnen zetten om het besluitvormingsproces transparanter te maken, om mensen te uit te leggen hoe de raden werken en wat ze voor de mensen van de UM kunnen doen.”

En de macht van de raden, reikt die ver genoeg?

Koenis: “Ik denk niet dat je het moet zoeken in het wegnemen of toevoegen van bevoegdheden. Of het genoeg is hangt af van hoe de betrokkenen – het bestuur en de raad – er invulling aan geven.” Stellen bestuurders zich open voor opmerkingen en adviezen van de raden? Zowel bij het universiteits- als het faculteitsbestuur van FPN is dat het geval, klinkt het. Sagana: “Een faculteitsraad heeft nog minder vaak instemmingsrecht dan de universiteitsraad, maar met een coöperatief bestuur als het onze heeft de raad wel degelijk invloed op het beleid.”

Volgens politiek filosoof Koenis gaat de bereidheid van het bestuur om de raad mee te nemen af en toe te ver. “Ik heb het gevoel dat de raad soms te veel het bestuur ingetrokken wordt.” De verdeling van de kwaliteitsafspraken – het geld dat vrijkwam na afschaffing van de basisbeurs – is daar een goed voorbeeld van, zegt hij. De studentengeledingen van de U-raad en F-raden kregen instemmingsrecht. Zij kwamen daarmee te dicht op het college van bestuur te staan. “De rollen liepen te veel door elkaar heen.” Het bestuur moet de beslissingen nemen en de raden controleren die. Ook Sagana vindt dat het bestuur uiteindelijk besluit. “Zij zijn eindverantwoordelijk.”

Daarnaast vindt Koenis dat het college soms té vroeg naar de U-raad stapt. “Het is goed dat bestuurders de organisatie er in een vroeg stadium bij willen betrekken, maar als wij beleidsvoorstellen vertrouwelijk in de raadsvergaderingen bespreken, mogen wij die niet bij onze achterban toetsen. Dat vind ik lastig.”

Op welke beslissing of welk agendapunt zijn ze het meest trots?

Sagana denkt meteen aan een situatie twee jaar geleden. “Het bestuur voerde toen een extra regel in die de bureaucratie enorm vergrootte. Wanneer studenten niet naar een onderwijsgroep konden of wilden komen, of wanneer ze wilden wisselen, moesten ze een e-mail sturen naar de coördinator van het vak. Het is goed om studenten deze etiquette bij te brengen, maar in praktijk is het enorme last voor personeel.” Het bestuur heeft deze regel toen teruggetrokken.

Hannaford schiet een “kleinigheidje” te binnen. “Het studentenstatuut is sinds dit jaar in genderneutrale taal opgeschreven.” Iets dat hem als voorzitter van UM-Pride, het LGBT+ netwerk van de UM, nauw aan het hart ligt. “De UM werd daardoor een veel inclusievere universiteit.”

Koenis noemt de situatie met de studievoorschotmiddelen. “Het waren landelijke regels dat de studentengeledingen van de raden beslisten waar het geld naartoe ging. Ik kon er niets aan veranderen, maar ik ben blij dat ik met de rest van de raad en het college heb kunnen discussiëren over de grote verantwoordelijkheid die de raden kregen en dat daarmee de traditionele scheiding tussen de raad en het bestuur vervaagde. Of het effect heeft gehad weet ik niet, maar ik was het wel kwijt.”

Ook als je niets kunt veranderen, moet je je als raadslid toch over dit soort principiële kwesties uitspreken, vindt Koenis. “Als raadslid denk je namelijk ook mee over wat voor een universiteit de UM wil zijn. Welke waarden en normen vinden we belangrijk? Welke onderwerpen krijgen prioriteit? Wat voor studenten willen we afleveren aan de maatschappij?” Studenten zijn daar veel minder mee bezig dan medewerkers, merkt Koenis op. “Zij concentreren zich veel meer op de alledaagse gang van zaken zoals het aantal studieplekken in de bibliotheek. Logisch, ze zijn er maar voor een periode van drie tot vier jaar.”

Een beknopte geschiedenis van democratie op Nederlandse universiteiten:

  • Tot en met de jaren zestig hadden studenten en het personeel dat geen hoogleraar was geen invloed op de besluiten die er op hun universiteit werden genomen.
  • Studenten wilden meer inspraak. Om daar verandering in te brengen raasde er eind jaren zestig een golf van protesten door het land. Die begon met de bezetting van de Universiteit van Tilburg (destijds Katholieke Hogeschool Tilburg). Het bekendste voorbeeld is wellicht de bezetting van het Maagdenhuis, het bestuursgebouw van de Universiteit van Amsterdam, in 1969. Zo’n 700 studenten waren hierbij betrokken. Ze wilden blijven totdat ze meer inspraak kregen, maar na vijf dagen werden ze door de politie verwijderd.
  • Een politieke discussie kwam op gang en in 1972 kwam de WUB (Wet op het Universitaire Bestuur). Het college van bestuur had vanaf dat moment voor nagenoeg alle besluiten goedkeuring van de raden nodig. Een systeem dat vergelijkbaar is met het landelijke bestuurssysteem: de colleges van bestuur zijn te vergelijken met het kabinet en de universitaire raden met de Tweede Kamer.
  • De bestuurders wilden meer macht. Vanaf de jaren '80 krijgt het college van bestuur weer wat meer uitvoerende macht.
  • In 1997 wordt de WUB de MUB (Wet Modernisering Universitaire Bestuursstructuur). De raden worden meer een adviesorgaan. De overheid vindt dat besluitvorming in de universiteitsraad te langzaam gaat. Ze hebben slechts nog instemmingsrecht bij zaken als bijvoorbeeld het studentenstatuut en de onderwijs- en examenregelingen. Voor de meeste kwesties hebben de raden een adviserende rol.
  • Met de komst van het leenstelsel in 2015 heeft de universiteitsraad weer meer macht gekregen in de vorm van instemmingsrecht op hoofdlijnen van de begroting.