Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

Hoe zwaar weegt wetenschappelijke integriteit bij de Universiteit Maastricht?

Hoe zwaar weegt wetenschappelijke integriteit bij de Universiteit Maastricht?

Photographer:Fotograaf: Still uit Nieuwsuur-uitzending

Opinie-artikel

Prof. Frans Leeuw heeft als directeur van het WODC de beginselen van wetenschappelijke integriteit onvoldoende gerespecteerd. Toch mag hij bij de UM hoogleraar blijven. Dat is een verkeerd signaal aan studenten, vindt Marianne van Ooyen-Houben, de klokkenluider die de hele WODC-affaire aanzwengelde. 

Observant heeft een aantal keren bericht over de problemen met de wetenschappelijke integriteit bij het WODC, het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Nieuwsuur bracht in december 2017 naar buiten dat drugsonderzoeken van het WODC politiek beïnvloed werden door beleidsafdelingen van het ministerie. Minister Grapperhaus stelde naar aanleiding hiervan drie onderzoekscommissies in onder leiding van de heren Verhulp, Overgaauw en Hertogh. Na het eerste rapport, in juni 2018, moest de directeur van het WODC, die er 15 jaar lang de scepter zwaaide, opstappen.

De kwestie is voor de Universiteit Maastricht van belang omdat deze directeur hier ook deeltijdhoogleraar is in Recht, openbaar bestuur en sociaalwetenschappelijk onderzoek.

Het universiteitsbestuur heeft vorige week besloten dat de betreffende hoogleraar mag blijven.  Ik las dat de rector met hem heeft gesproken en de conclusie heeft getrokken dat er geen aanleiding is om stappen te ondernemen. Ook heeft de hoogleraar gezegd dat hij zich in Maastricht altijd integer heeft gedragen.

Ik ben de klokkenluider in deze zaak. Ik heb veel ervaring met beleidsonderzoek, als onderzoeker en docent, onder andere enige tijd als UHD bij de UM. Ik geef hier nog steeds een gastcollege over beleidsevaluatie. Onderzoekscommissie Hertogh heeft in januari 2019 helemaal bevestigd wat ik signaleerde: beleid en onderzoek zijn bij het WODC te veel met elkaar vervlochten en er bestaan structurele tekortkomingen in de onafhankelijkheid.

Niet alleen in mijn drugsonderzoeken, maar ook in ander onderzoek - bijvoorbeeld naar de griffierechten burgerlijke zaken en de opsporing van terroristische misdrijven - oefenden beleidsambtenaren oneigenlijke druk uit op de WODC-onderzoekers. De directeur/hoogleraar schaarde zich actief achter die ambtenaren of liet toe dat die zijn onderzoekers onder druk zetten (Hertogh, p. 10, 100-102, 109). Hoeveel voorvallen onder de radar van de commissies zijn gebleven weet niemand. Ik ken er een paar. En onlangs werd door de pers het WODC-onderzoek naar de MH-17 boven water gehaald. Ook daar was druk uitgeoefend om het rapport aan te passen.

Als ik zie wat de drie onderzoekscommissies hebben gerapporteerd, ben ik werkelijk verwonderd over het besluit van de UM. Eerder al, in november, viel mij op dat prof. Hans Nelen, een oud-WODC-collega en net als de betrokken hoogleraar werkzaam bij de rechtenfaculteit, er na het rapport van Overgaauw als de kippen bij was om de zaak in een blog van de UM af te doen als ‘een storm in een glas water’.

Dat een directeur, die dus ook hoogleraar is, er niet voor terugdeinst te sjoemelen met de aanbestedingsprocedure voor wetenschappelijk onderzoek (Verhulp, p. 25, 26), vindt het universiteitsbestuur dat op zichzelf al niet ernstig genoeg?

Dat zo iemand bevindingen in een wetenschappelijk goedgekeurd rapport laat afzwakken als beleidsmakers laten weten dat al te kritische bevindingen niet gewenst zijn (Verhulp, p. 19; Hertogh, p. 104, 105), vindt de UM dat niet ernstig? Mij vroeg hij zelfs eerst (mondeling) om een kritische conclusie helemaal te verwijderen. Hij sneed ook in een onderzoeksopzet en handelde daarmee tégen de door hemzelf gepredikte professionele wetenschappelijke standaard en vóór de lijn die beleidsambtenaren wilden (Verhulp, p. 17; Overgaauw, p. 73).   

Dat hij de open discussie met wetenschappers, die in ‘begeleidingscommissies’ de kwaliteit van WODC-onderzoeken bewaken, omzeilt en die commissies buiten spel zet of laat zetten (Hertogh, p. 97, 101, 105), vindt de UM dat niet ernstig?

En mag hij de publicatie van wetenschappelijk onderzoeken uitstellen, tegen de regels, omdat beleidsambtenaren dat willen (Hertogh, p. 102, 105)?

Als een directeur van een wetenschappelijk instituut zich achter beleid schaart, zeer nauw met beleidsambtenaren samenwerkt, vertrouwelijk met ze overlegt, en vervolgens stelling neemt tegen zijn eigen onderzoekers, die de wetenschappelijke integriteit vooropstellen (Hertogh, p. 93, 94, 99, 100, 123), waar blijven we dan met onze wetenschappelijke waarheidsvinding? Hij zegde de beleidsafdeling zelfs toe maatregelen te nemen tegen zijn eigen onderzoeker.

In plaats van een open gesprek over de integriteitskwesties kregen ‘ongehoorzame’ onderzoekers te maken met negatieve bejegening en intimidatie (ik kreeg te horen dat ik op mijn tellen moest passen; anderen wees hij op de uitgang). Sowieso kon je er als medewerker maar beter voor zorgen dat je niet in ongenade viel (Verhulp, p. 53). Ik heb diverse collega’s aangeslagen, overspannen of depressief zien eindigen. Bij de vertrouwenspersoon lagen de nodige klachten over bejegening.

Hertogh concludeert dat de leiding van het WODC onvoldoende heeft gezorgd voor een werkomgeving met waarborgen voor verantwoorde onderzoekspraktijken, waarbinnen alle onderzoekers zich veilig voelen en hun onderzoek onafhankelijk kunnen uitvoeren (p. 11). Een directeur is daar wel eindverantwoordelijk voor.

Natúúrlijk moeten beleidsambtenaren kunnen meepraten over een onderzoek op hun terrein. Maar de methode, de resultaten en conclusies mogen ze niet sturen. Daarin moeten ze de professionaliteit van de onderzoeker respecteren. Van een directeur zou je verwachten dat die een barrière opwerpt tegen sturing door beleidsafdelingen en zijn onderzoekers steunt in hun wetenschappelijke integriteit. Het tegendeel was het geval.

Ik heb onlangs naar aanleiding van deze zaak een gesprek gehad met minister Grapperhaus. Hij bleek zeer goed op de hoogte. Hij is zelf deeltijdhoogleraar geweest aan de Universiteit Maastricht en hij vindt de situatie bij het WODC dermate ernstig dat hij ingrijpende maatregelen neemt. Hij gaat bijvoorbeeld niet alleen een nieuwe directeur aanstellen, maar ook extra functionarissen die de onafhankelijkheid bewaken. De onafhankelijkheid gaat hij juridisch beter verankeren. Het WODC wordt buiten het ministerie gehuisvest om de onacceptabele vermenging van beleid en onderzoek tegen te gaan. En het WODC moet zich aan richtlijnen voor onafhankelijkheid gaan houden.

In tegenstelling tot de minister vindt het universiteitsbestuur het blijkbaar allemaal niet zo ernstig. Het besluit van de UM is in mijn optiek slecht voor het imago van de universiteit als wetenschappelijk integer instituut. Het geeft een heel verkeerd signaal aan studenten, die in hun toekomstige werk wellicht ook geconfronteerd worden met dit soort situaties.

Dr. Marianne van Ooyen-Houben

Categories:Categorieën:
Tags:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)