UM wil minder bijzonder hoogleraren

24-03-2016

MAASTRICHT. De Universiteit Maastricht heeft te veel bijzonder hoogleraren in huis. Het zijn er 160, waarvan de meesten (104) bij de FHML. In samenspraak met de decanen wil het college van bestuur een eind maken aan die wildgroei en tegelijkertijd orde scheppen in de hele categorie van hoogleraren.

HRM-directeur André Koehorst maakte het onlangs heel duidelijk in de commissie onderzoek en onderwijs van de universiteitsraad: er zijn nogal wat universitair docenten en hoofddocenten die voor een of twee dagdelen tot bijzonder hoogleraar zijn benoemd op een manier die niet “volgens de bedoeling van de wet is”. Want, zei Koehorst, de gedachte is dat een externe financier een bijzondere leerstoel sponsort op een bepaald vakgebied. In de praktijk echter haalt de UM deze hoogleraren vaak zelf binnenboord via de achterdeur van ofwel de aan het ziekenhuis verbonden stichting St. Annadal, ofwel het Universiteitsfonds/SWOL. Dit veelal om tijdelijke hoogleraren te kunnen benoemen, die dus niet op de vaste formatie drukken.

Dat is echter niet meer nodig nu de universiteiten-cao de mogelijkheid van tijdelijk benoemde hoogleraren heeft geopend.

Het plan is nu om voortaan vijf categorieën professoren te onderscheiden: de (vaste) vakhoogleraar, en vier tijdelijke soorten leerstoelen: persoonlijk, profilering, praktijk en bijzonder. De laatste is extern gefinancierd. De universiteitshoogleraar, een zeer beperkte categorie, kan of onder de vaste of onder de persoonlijke leerstoelen worden gerangschikt. Allen hebben het ius promovendi, het recht om promotor te zijn, behalve de praktijkhoogleraar. Rector Soete tijdens diezelfde commissievergadering: “Collegarectoren in het land vinden het gek om een professor te creëren zonder het ius promovendi. Maar het is verdedigbaar. Het gaat om ervaring in onderzoek en in de begeleiding daarvan. Een afdelingshoofd/professor in het AZM bijvoorbeeld die dat niet doet, krijgt dat recht dus niet.”

Verder ligt er een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer dat het mogelijk maakt om het ius promovendi uit te breiden naar niet-hoogleraren. De UM wil dat alleen in bepaalde gevallen, dus per promotie en per persoon, toekennen aan hoofddocenten. Soete: “Landelijk is dit een hot issue, vooral de technische universiteiten willen dat alle uhd’s promotor mogen zijn; die doen het onderzoek en begeleiden promovendi, is de gedachte. Maar wij zijn er restrictief in.”

UM wil minder bijzonder hoogleraren
Hooglerarenstoet UM