Mythe: Bij mensen met dyslexie zijn de linker- en rechterhersenhelft in disbalans

Naar het rijk der fabelen

17-05-2017

Touwtjespringen, motorische oefeningen, plastic letters ‘lezen’ met de vingers, of het ‘flitsen’ van letters en woorden in het linker of rechter visuele veld. Allemaal behandelmethodes die regelmatig aangeboden worden aan kinderen met dyslexie. Maar helpen doen ze niet. “Het idee erachter is dat de linker- en rechterhersenhelft van mensen met dyslexie niet met elkaar in balans zijn”, zegt Milene Bonte, universitair hoofddocent bij de Brain and Language sectie. “Deze oefeningen zouden de balans herstellen.” Het idee verspreide zich in Nederland in de jaren tachtig. “Er werd toen een theorie opgesteld die ervan uitgaat dat kinderen die leren lezen dat eerst met hun rechterhersenhelft doen en wanneer het lezen een automatisme wordt, dat naar de linkerhersenhelft verschuift. Er zouden subtypes van dyslexie bestaan waarbij het kind primair met de rechte-r óf linkerhersenhelft leest. Dat was voor die tijd een vernieuwende gedachte, maar die verschuiving zien we niet in de hersenen, zijn theorie is nooit bewezen.”

Een andere theorie is dat er bij dyslecten iets verkeerd gaat bij de visuele verwerking van woorden. “Een aantal jaren geleden was het een trend om daar visoliecapsules voor te slikken. Nu zijn er speciale brillen met gekleurde glazen op de markt.” Ook die werken niet. “Dyslexie is een taalstoornis. Wanneer een kind leert lezen, leert het welke klank bij welke letter hoort. Dat gaat bij dyslecten moeizamer. Het duurt trouwens sowieso jaren voordat lezen een automatisme wordt. Het is een dynamisch en individueel leerproces, daarom zijn er ook grote verschillen tussen kinderen. ”

Het enige wat echt helpt, is heel veel oefenen. “Wij werken met ons onderzoek samen met dyslexie-instituten die systematische leesvaardigheidstrainingen aanbieden. Dan zie je dat kinderen steeds minder fouten maken. Wat vaak wel een probleem blijft is de leessnelheid.”

Als een kind dat net begint met schrijven letters in spiegelbeeld opschrijft, betekent dat overigens niet meteen dat het dyslexie heeft. “Dat komt omdat we bij het leren lezen voortbouwen op bestaande hersensystemen, zoals die voor het herkennen van visuele objecten. Al vroeg leren we dat een kopje hetzelfde kopje is, ook als je het omdraait. Maar bij letters gaat dat niet. Een omgekeerde ‘b’ is geen ‘b’ meer, maar een ‘d’. We moeten dat mechanisme dus leren te onderdrukken, door te ervaren dat die letters anders klinken en dat je ze anders uitspreekt.”

Bonte volgt in haar onderzoek kinderen terwijl ze leren lezen. “We laten ze verschillende keren terugkomen voor een MRI-scan. Want hoewel we weten dat dyslexie iets te maken heeft met de hersengebieden die gesproken taal verwerken, weten we niet precies wat er fout gaat en waarom de ene persoon het wel krijgt en iemand anders niet. Genetische factoren spelen een rol, maar er zijn kinderen met een familierisico – zoals we dat dan noemen – die géén dyslexie krijgen net zoals er ook kinderen zonder familierisico zijn die het wel hebben. Daarom is het belangrijk kinderen langere tijd te volgen, zodat we kunnen zien wat er tijdens dat leerproces gebeurt.”

Het omgekeerde van dyslexie bestaat trouwens ook. “Sommige kinderen pikken die link tussen klank en letter heel snel op. Dat is net zo interessant. Hoe kan dat? Daarom onderzoeken we kinderen van alle leesniveaus.”

Dit is een serie waarin wetenschappers misvattingen op hun vakgebied naar het rijk der fabelen verwijzen

Mythe: Bij mensen met dyslexie zijn de linker- en rechterhersenhelft in disbalans
Milene Bonte, hoofddocent bij de Brain and Language sectie
Auteur: Cleo Freriks
Joey Roberts
Tags: mythe

Voeg reactie toe

Klik hier voor onze privacyregels

Vanaf januari 2022 plaatst Observant alleen nog reacties van mensen wier naam bekend is bij de redactie.