Een jaar geleden besloot de faculteit Science and Engineering een voorzet te doen: “We wilden kijken wat Erkennen en Waarderen betekent voor ons personeelsbeleid.” Corona gooide roet in het eten, “dus de pilot is nog gaande,” zegt decaan Thomas Cleij. Maar wat voor hem in elk geval duidelijk is: de nieuwe visie is een mooi startpunt, eerlijker ook, “je hebt oog voor iemands persoonlijke ambities. Tegelijkertijd moet je er als faculteit wel je eigen interpretatie aan geven. Niet alle faculteiten of instituten zijn hetzelfde. De ene doet meer aan onderwijs dan de andere, de ene bevindt zich in een traditioneler vakgebied dan de andere. Maak er geen eenheidsworst van”, vindt Cleij.
Flexibiliteit is het kernwoord. Vandaar dat er binnen zijn eigen faculteit, met bètaprogramma’s en drie University Colleges, is gekozen voor de pilot ‘flexibele performance criteria’. Cleij: “Bij ons wordt veel lesgegeven, daarom heeft iedereen onderwijs in de portefeuille, van maximaal 70 tot minimaal 30 procent. Maar we zeggen voor de rest: kijk wat bij je past.”
Binnen Erkennen en Waarderen ligt de focus op vier mogelijke carrièrepaden: onderwijs, onderzoek, impact en leiderschap. “In onze visie is onderzoek geen verplichting. Een persoon die heel vaardig is in besturen, gaat misschien wel voor leiderschap en onderwijs. Een ander voor onderwijs en impact. Veel gaat vanzelf, denk ik. Zo’n loopbaan ontwikkelt zich heel natuurlijk. Voorwaarde is wel dat de omgeving je stimuleert.”
Dat FSE geen voorwaarden stelt aan het aantal onderzoeksuren, is opvallend. Landelijk wordt erover gediscussieerd, want moeten niet alle academici in elk geval iets aan onderzoek doen? Dat maakt een universiteit juist anders dan bijvoorbeeld een hogeschool. "In onze pilot is die verplichte onderzoekscomponent er in elk geval niet", zegt Cleij. Maar hij sluit niet uit dat het aan de UM, of nationaal, toch een belangrijke voorwaarde wordt.
Zero-sum game
Het wordt balanceren, beseft Cleij. Tussen enerzijds het erkennen van persoonlijke carrières en anderzijds het in de smiezen houden van het ‘grote geheel’. Daarmee doelt hij op de strategie en het financiële plaatje van een faculteit. Cleij spreekt van een “zero-sum game. Je kunt niet opeens iedereen in hogere functies zetten met bijbehorende salarissen. Je zult in gesprek met je wetenschappers ook moeten letten op de lopende rekening. Bovendien heeft een faculteit een diversiteit aan specialisaties nodig.
“Stel, je hebt een medewerker in dienst die je enorm waardeert, maar die niet door kan, bijvoorbeeld omdat er in een bepaald vak niet genoeg onderwijsuren zijn voor nog een topdocent. In dat laatste geval kun je diegene niet de gewenste onderwijscarrière bieden. En zo is het ook met onderzoek. Je kunt niet drie dezelfde leerstoelen vullen. De dialoog hierover aangaan, een duidelijk en realistisch perspectief bieden, dat vind ik ook erkennen en waarderen.”
Internationale carrière
Cleij prijst zich gelukkig met een “relatief jonge faculteit, met mensen die open staan voor vernieuwing”. Maar kritiek is er desalniettemin, en die begrijpt hij, want hoe valt deze ‘nationale’ verandergolf in het buitenland? Hoe zit het met een internationale carrière, wat betekent het voor mensen die na een paar jaar moeten vertrekken en een baan willen in het buitenland? “Je kunt wel leuke carrièrepaden bedenken en ze hier in Nederland erkennen als ‘zinvol’, maar, kijkend naar mijn eigen vakgebied, de chemie, merk ik hoezeer er nog wordt gehecht aan traditie, aan H-indexen, et cetera. Daar zit de uitdaging.”