Wanneer zal het geweest zijn? Ergens in het vroege voorjaar, maar terugzoeken gaat niet want een pensionado heeft alleen nog maar garageafspraken en familiebezoekjes in de agenda, en toen Germanicus mij belde was ik te opgewonden om de geplande ontmoeting te noteren.
Ha, de grote Germanicus! Die zijn trouwe beleidsadviseur weer nodig had! Mijn borst zwol van trots, ik knipoogde opgetogen naar mevrouw B. maar die keek vooral bezorgd want de baas had toch zo’n tiental jaren een deel van ons huwelijksleven gekleurd en daar verlangde ze niet naar terug. Bepaald niet, mag ik wel zeggen, zelfs in mijn prille after work life hing hij al aan de lijn. Het was laat 2019, bijna kerstmis en bijna middernacht. “Wai zain gehakt”, klonk het en ik zeg nog: ‘toe Germie, je hebt je neus wat te diep in de schnaps gestoken en daar moet je zeker geen gehakt bij eten, dat geeft maar constipatie, ook in het hoofd, welterusten en zalige kerst’, maar hij hield aan, er was iets met “die Roeski’s, die hebben oens gehakt, iek bedoel gehekt, sjnapst jai het nou, Albert? Wat moes iek toen?”
Hij klonk zo hulpeloos dat ik geneigd was naar hem toe te snellen maar dat hield mevr. B. dan toch net weer even tegen, “zeg hem maar dat ie Nick of Rianne moet bellen, die weten wel hoe ze zo’n varkentje moeten wassen.” Dus ik geef hem de boodschap door, maar Germanicus begint te brullen dat “het zich helemaal niet om een schweinlein handelt maar om compoeters, Albert, daar wissen Frau Lichtschicht en Herr Boss doch überhaupt auch niks davon!?”
Ik: ‘Nee Germie maar luister, we hebben toch mensen in huis die daar verstand van hebben? Die kun je toch aansturen, eh anlenken?’
Kijk, daar had je het al, je bent met pensioen en dan nog zeg je ‘we’. Van die instelling maakt een man als Germanicus graag misbruik. En ja, dat streelt deze grijze ziel, ik geef het eerlijk toe.
Goed, de cyberhack was dus al lang weer voorbij, en nu, ruim een jaar later, nodigt hij me uit voor een bespreking over “etwas delikates. Dat machen we in een restaurant, bester Albert!”
Ik zeg ‘nee Germie, alles goed en wel maar als ik nog maar net aan het voorgerecht ben begonnen zit jij al aan het dessert, dat vind ik niet gezellig’. Bovendien, voegde ik toe, heerst er corona en kùnnen we niet eens uit eten. O ja, beaamde onze leidsman, dat had hij even over het hoofd gezien. Ook niet in België? Daar gingen zelfs de kappers alweer open.
En zo vonden wij ons een weekje later terug in een Waalse kapsalon waar we ongestoord - ze verstonden er niks van - het jongste dilemma van deze heavy weight champ-met-corona-uitgroei konden bespreken.
Ik verschoot ervan toen ik het hoorde: “Albert, iek val met die tuur ins haus, ik langweil me. Baina tien jaar ben iek hier president, na mijn voorganger was er een coeltoer-omsjlag nodig, of ik me maar beschaiden wilde aufsjtellen…”
Ik zeg: ‘Mijn beste Germanicus, bescheiden, zeker, maar toch niet in je daden?
Weet je dat er mensen zijn die jou visionair noemen? Weet je wie er nog meer visionair waren? Nee? Wat denk je van een Jezus, een Gandhi, een Mandela, een - waarom niet? - Louis van Gaal? In dat rijtje bevind jij je, Germie! En Napoleon, laat ik die niet vergeten! Zet een steek dwars op je hoofd en je lijkt ook nog op hem!’
De voorzitter zat intussen onder de droogkap en staarde me met grote ogen aan. Zo had hij nog nooit naar zichzelf gekeken. “Maar Albert”, stamelde hij, “iek heb toch de welt nicht eroberd? Ja, iek moes vaak mit een vliegmasjien naar weitweggistan om mit andere unipresidenten te praten, maar ik houd gaar niet van fliegen! En dan moes ik een pak aan en ik houd nicht van pakken!!”
Zo miemelde hij nog een beetje door: dat hij hooguit een beetje bekend was in de euregio en dat die bekendheid ook nog eens met een sneltreinvaart onderuit was gehaald toen rectrix Frau Rianne Lichtschicht eenmaal op het toneel verscheen. “Weet jai hoe ze die noemden, Albert? De Maxima van de UM! Onze Mutter Theresa! En hoe word iek genoemd? Nah?”
Zijn ogen werden vochtig ondanks de loeiende droogkap, ik besloot er maar snel overheen te praten. Want waar wilde hij nou naartoe? Toen kwam de aap uit de mouw: “Iek, bester Albert, wil wieder belangraik zain. Iek wil dat ze mai – jai begon er zèlf over – Martin Bonaparte noemen! Of het mindestens denken. En jetzt hat men mai een baan angeboten, in Bochum, und daar bien iek dan voorzitter en rector zugleich!! Haha, da komt keen Lichtschicht meer dazwischen! En bovendien kan da keiner meer witze over main Nederlands machen, sjnaptste?”
Het was de opgetogenheid zelve die na een kwartiertje onder de droogkap vandaan kwam. Zijn kapsel, met die lok over het voorhoofd, inderdaad: Napoleon 2.0. Advies hoefde hij niet meer, hij had het gewoon even kwijt gemoeten.
Onlangs zag ik hem weer bij een universitair cultureel festivalletje, hij mocht het openen. Entre nous vertrouwde hij me toe dat sinds de aankondiging van zijn vertrek geen mens hem nog mailde of belde. Alles belandde rechtstreeks bij Frau Lichtschicht! Die had nu twee banen en de wallen onder haar ogen; moest ze hem maar niet zo nodig willen opvolgen, hihi!
Terwijl een popband begon te spelen sloop hij behendig weg. Hier klonk geen Wagner tenslotte. Maar ho, werd van de voorzitter niet verwacht dat hij tot het einde bleef? “Haha Albert, alzeit grappen und grollen, immer witz und scherz!! Kom maar met mai mee naar Bochum!”
Ik kijk opzij naar mevr. B. en zie een dreigend onweer.
‘Sorry Germanicus’, fluister ik. ‘Maar je kunt me altijd bellen.’
Albert Bergbroeder