Het leek een mooi plan dat een einde zou maken aan de wildgroei aan tijdelijke contracten bij universiteiten. Niet langer zouden docenten en onderzoekers jarenlang van het ene tijdelijke contract naar het andere gaan, zonder uitzicht op een vaste aanstelling. In de cao die de vakbonden in juni met de vereniging van universiteitsbestuurders (VSNU) overeenkwamen, is afgesproken dat werknemers met een tijdelijk contract een vaste aanstelling krijgen: wie al een tijdelijk contract heeft zou na maximaal 12 maanden een vaste aanstelling krijgen, voor nieuwe contracten zou dat na 18 maanden zijn.
Maar werkt het ook zo? Her en der hoor ik bij universiteiten dat tijdelijke contracten niet worden omgezet in een vaste aanstelling maar worden beëindigd. Soms wordt gezegd dat iemand over zes maanden weer terug kan keren in een nieuw tijdelijk contract. Na zes maanden gaat de teller opnieuw lopen. Of iemand krijgt geen contract voor een jaar maar slechts voor zes of negen maanden.
Sommigen zijn zo met de nieuwe cao slechter af. In plaats van een vaste aanstelling krijgen ze ontslag. Waar ze anders een contract voor een jaar of langer zouden krijgen, krijgen ze nu een contract voor een half jaar.
Hoe vaak dit voorkomt, weet ik niet precies. Wat een rol lijkt te spelen is dat sommige afdelingen en faculteiten veel tijdelijke contracten hebben en geen geld hebben om die allemaal om te zetten in vaste aanstellingen. Het lijkt me een taak voor de vakbonden om te inventariseren hoe vaak dit voorkomt. Of voor de vereniging van universiteitsbestuurders, de VSNU, zelf, want dit gaat in tegen de geest van de gemaakte afspraken in de cao.
De nieuwe cao geeft een perverse prikkel om docenten en onderzoekers niet meer maar minder zekerheid te geven over hun contract.
Wim Groot, hoogleraar gezondheidseconomie en hoogleraar evidence based education