Het eerste onderwerp van deze maandagvergadering: hoe gaan we de komende drie weken aanpakken nu we in een semi- lockdown zitten? De productie van de papieren krant, die we blijven uitbrengen zolang het onderwijs op de campus doorgaat, verplicht ons om naar het werk te komen. Op woensdag zetten we die samen met onze opmaker op de redactie in elkaar. Dat vraagt om overleg rondom de opmaakcomputer, schuiven met artikelen, inkorten van koppen, zoeken naar de juiste foto of illustratie en kiezen voor de aantrekkelijkste voorpagina. Om vervolgens de proef-prints te controleren; in totaal drie keer, om zoveel mogelijk fouten eruit te halen. Rond 17.00 uur ligt de papieren versie dan bij de drukker.
We zijn er snel uit: op woensdag zijn minimaal twee journalisten op het werk, op maandagochtend voor de vergadering proberen we met meer aanwezig te zijn, de rest van de week is iedereen zoveel mogelijk thuis. Maar wie liever naar de Lenculenstraat komt (soms is het thuis te druk of de werkplek niet zo goed) en daar alleen op een kamer kan werken, krijgt die ruimte.
Het is maar goed dat het nog geen 2022 is, want dan kan ik niet zomaar zonder gevolgen thuis werken. Ik ben, net als zo’n zeshonderd UM-collega’s, een grenswerker. Ik woon net ten zuiden van Eijsden en een nieuwe wet stelt dat mensen die 25 procent of meer van hun werktijd van huis uit werken overgaan naar de sociale zekerheid van hun woonland. In mijn geval: België. Daar heb ik puur gevoelsmatig (ja, zo rationeel is een mens niet) helemaal geen zin in. Ik wil gewoon mijn AOW blijven opbouwen en niet over naar het Belgische rustpensioen. Net zomin wil ik over naar de Belgische zorgverzekering. Al is helemaal niet gezegd dat dat voor mij ongunstig zou zijn, hoor ik van de mensen van ITEM, het instituut van de UM dat onderzoek doet naar de effecten van Europese regelgeving op de grensregio’s. Kan zijn, maar sinds ik naar België emigreerde voel ik me Nederlandser dan ooit tevoren. Ik hecht aan mijn AOW. Dan maar minder thuiswerken.