Het oude systeem, waarin punten toebedeeld worden aan het peer-reviewed werk uit de afgelopen drie jaar, voldeed niet meer, vertelt Sally Wyatt, vice-decaan voor onderzoek bij FASoS. Zo levert het als coauteur meeschrijven aan een publicatie maar de helft van de punten op. “Terwijl we juist (interdisciplinaire) samenwerking willen stimuleren.”
Bovendien was het systeem verwarrend, met verschillende puntentellingen voor wetenschappers met een vast en tijdelijk contract. Los daarvan bestond het vermoeden dat afdelingshoofden er toch niet naar kijken. “Zij hebben meestal een goed overzicht van waar iemand mee bezig is, zo’n cijfer zegt dan niet veel.” In het nieuwe systeem, dat aansluit bij het project Erkennen en Waarderen, zal daarom meer ruimte voor interpretatie zijn. Afdelingshoofden maken zelf een inschatting van de waarde van een bepaalde (bijdrage aan een) publicatie. Ook is er oog voor persoonlijke omstandigheden, zoals vertraging die is opgelopen door corona en de lockdowns, en de extra druk die bij bepaalde verantwoordelijkheden, bijvoorbeeld het zijn van programmadirecteur, komt kijken.
Tijd inleveren
Maar publiceren van onderzoek blijft belangrijk. Wetenschappers die structureel te weinig peer-reviewed werk afleveren kunnen onderzoekstijd verliezen wanneer zij binnen twee jaar na het aankaarten van het probleem geen verbetering laten zien. “Want onderzoekstijd is duur, en uiteindelijk worden we betaald om te publiceren.” In het uiterste geval leidt het tot een tijdsverdeling van 80 procent voor onderwijs en 20 procent voor onderzoek (waar een 60/40-verdeling gebruikelijk is bij FASoS). Dit laatste voornamelijk om tijd te over te houden om de ontwikkelingen in het vakgebied te volgen – broodnodig om goed onderwijs te kunnen geven.
Harde lijn
Toch klonk er ook bezorgdheid vanuit de geleding van het wetenschappelijk personeel (wp) tijdens de jongste vergadering van de faculteitsraad vorige week. “Met een 80/20-verdeling heb je in de praktijk alleen nog maar tijd voor onderwijs”, opperde een wp-lid. “Dan pak je het onderzoek nooit meer op.” En: vraagt zo’n potentieel heftige maatregel niet juist om kraakheldere regels, in plaats van meer ruimte voor interpretatie?
“Het punt is juist dat we geen harde lijn willen trekken”, aldus Wyatt tegen de raad. “Mensen krijgen de tijd om te verbeteren, rekening houdend met hun omstandigheden. Samen met hun afdelingshoofd stellen ze afspraken op, zoals ‘binnen een jaar publiceer ik één artikel’. Daar krijgen ze zo nodig hulp bij, bijvoorbeeld in de vorm van schrijfworkshops of een ‘publicatiebuddy’ die feedback geeft. Alleen als het daarna nog steeds niet beter gaat, volgen consequenties.” Het is dan ook niet zo dat onderzoekers die tijdens de afgelopen coronajaren even minder publiceerden direct in de problemen komen – een andere door de wp-geleding geuite zorg. “Het gaat echt maar om een handjevol mensen, die dit zelf ook weten. Voor sommigen van hen kan het juist een opluchting zijn om meer onderwijs te geven.”