De Spinozapremies, ook wel de ‘Nederlandse Nobelprijzen’ genoemd, worden sinds 1995 jaarlijks toegekend door wetenschapsfinancier NWO. Inmiddels staat de teller op 105 Spinozalaureaten. Die zijn niet bepaald gelijkelijk over de instituten verdeeld. In ongeveer een kwart van de gevallen (26 keer) leverde de Universiteit Leiden de winnaar. Utrecht en Nijmegen volgen met respectievelijk 17 en 12 laureaten. Tegelijkertijd winnen sommige andere, met name ‘jonge’ universiteiten, zoals Eindhoven, Twente, Rotterdam (alle viermaal) en Tilburg (een keer), slechts zelden.
En de weg naar Maastricht vond de NWO dus zelfs nog nooit. Is dat erg? UM-rector Pamela Habibović meent van wel. “Voor het aanzien van de universiteit is het niet goed. Het is een belangrijke erkenning die we missen. Terwijl er hier genoeg onderzoekers rondlopen die een Spinozapremie verdienen.”
Waarom viel dan geen van hen in de prijzen? Daar heeft Habibović niet echt een verklaring voor. “We weten niet hoe NWO de winnaars precies bepaalt. Wel zien we dat de verdeling scheef is. Ongeveer zeven procent van de hoogleraren in Nederland werkt aan de UM, en we hebben nul Spinozalaureaten. De Universiteit Leiden heeft een vergelijkbaar aantal hoogleraren (eind 2021 waren er 332 Leidse tegenover 271 Maastrichtse hoogleraren, volgens de website van koepelvereniging Universiteiten van Nederland, red.), maar wint bijna één op de vier keer. Hoe dat komt? Ik heb geen idee.”
Lobbyen
Toenmalig rector Luc Soete opperde in 2016 tegenover Observant dat de leeftijd van de UM – met 46 jaar de jongste universiteit van het land - een rol speelt. Habibović ziet dat anders. “Sinds de oprichting zijn er al meerdere generaties onderzoekers geweest. De leeftijd zegt niks over hoe goed de huidige wetenschappers zijn. En ja: de UM heeft van oudsher een focus op onderwijs, maar dat zou de kansen van wetenschappers die hoogstaand onderzoek doen niet mogen verkleinen.”
Wat is dan de oorzaak? Een slecht imago? Of lobbyt de UM soms niet genoeg? “De selectie is ongetwijfeld een degelijk en objectief proces. De vraag is of universiteiten die relatief vaak buiten de boot vallen voldoende in beeld zijn, anders gezegd: of die zichzelf voldoende zichtbaar maken.”
Kanshebbers helpen
Habibović meent dan ook dat de UM naar zichzelf moet kijken. “Wellicht blijven onze eigen inspanningen achter. Het college van bestuur mag ieder jaar twee kandidaten voordragen. Dat is de afgelopen jaren niet altijd gebeurd: soms werd er maar één kandidaat geselecteerd (het college wil niet vermelden hoe vaak dit precies gebeurde, omdat “de nominaties vertrouwelijk zijn”, red.). Daarin kunnen we alerter zijn.”
Waar het devies van rector Soete in 2016 nog “volhouden” was, is de houding van Habibović “harder werken en de prijs serieuzer nemen”. Zo moet er meer aandacht komen voor de selectie van de kandidaten, waarover de decanen en de rector het college adviseren. “Nog niet iedereen binnen de universiteit is zich bewust van het belang van de prijs. We moeten beter rondkijken om kanshebbers te identificeren. En vervolgens nagaan of we ze kunnen helpen zich te verbeteren op punten die belangrijk zijn voor het winnen van een Spinozapremie.”
Daarnaast moet men af van wat Habibović ‘misplaatste bescheidenheid’ noemt: “We zijn nu soms nog terughoudend bij het selecteren van onderzoekers, omdat we bang zijn dat ze teleurgesteld raken als ze niet winnen. Terwijl het juist eervol is om voorgedragen te worden voor de hoogste wetenschappelijke onderscheiding van het land.”