De eerste keer dat ik op wintersport ging was ik een jaar of acht. Mijn tweelingzus en ik gingen op les met een groepje internationale kinderen en een Franse skileraar met wie je alleen in gebarentaal kon communiceren. Het ging mijn zus wel goed af, maar ik was een angsthaas en verkrampte bij elke helling die een beetje steil was. Eén keer moest de skileraar me zelfs over zijn schouder naar beneden dragen, omdat ik weigerde verder te gaan. Helaas moest ik de volgende dag gewoon weer die berg op.
Toen ik dertien was, stopte ik ermee. Ik wilde liever carnaval vieren met mijn vrienden dan trillend op zo’n piste staan. Dus bleef ik thuis, terwijl mijn zus vrolijk op de latten stond. Een paar jaar geleden stelde ze voor om het nog eens te proberen, deze keer met onze gezamenlijke vriendengroep. Ik zei ja. Ik denk dat ik dat meer zei omdat ik bang was het plezier te missen dan dat ik ernaar uitkeek om weer te skiën, maar ik ging in ieder geval mee. Vier van mijn vrienden en ik, in één volgepropte auto, op skivakantie naar Frankrijk. Ik kwam erachter dat je skiën eigenlijk niet verleert (dus die Franse leraar en mijn ouders ben ik eeuwig dankbaar), maar daarmee was die angst nog niet verdwenen. Eenmaal op de piste herinnerde ik me precies hoe het voelde om er als kind te staan, ook omdat de eerste piste die we afdaalden er een was die ik vroeger eng vond.
Ik zat elke ochtend bang in de lift, maar vond het ‘s middags ontzettend leuk. Ik moest elke dag opnieuw over die drempel heen, maar ik had een skileraar die me juist opdrachten gaf die ik eng vond. Zo kwam ik erachter dat het allemaal wel meevalt. Afgelopen vakantie was het nog beter: na de eerste paar afdalingen had ik er wel vertrouwen in. Zelfs toen ik viel en mijn stok doormidden brak, was ik niet ontmoedigd; het kwam wel goed, en zo was het ook. Inmiddels is diezelfde vriendengroep enthousiast begonnen met een klimsport. Daar hou ik me voorlopig nog even buiten.
Puck Füsers