Toen ik in 2019 begon met studeren in Maastricht, woonde ik nog thuis. Gelukkig was de route naar het UCM niet zo’n gedoe: vanaf het station kon ik overstappen op bus 3, en na vijf minuten lopen vanaf de bushalte bij de rechtenfaculteit was ik meestal precies op tijd in de les. Ook toen ik naar Maastricht was verhuisd, nam ik regelmatig de bus, want een fiets had ik niet. Helaas werd de busverbinding steeds slechter. Een tijd lang reed er geen enkele bus door het centrum, inmiddels alleen lijn 4, waarmee je óf een halfuur te vroeg bent voor de gewoonlijke starttijden op de uni, óf vijf minuten te laat. Balen, dus.
Ik besloot daarom meestal om naar het UCM te lopen. In eerste instantie ging dat met tegenzin, uiteindelijk met waardering: zo’n wandeling is een fijne manier om elke dag even buiten te zijn en af te schakelen. Van mijn huis achter het station naar de andere kant van de stad kostte me toch steeds een halfuur. Voor mij niet zo’n probleem, maar hoe zit het met mensen die het niet volhouden om elke dag een uur te wandelen? Als voor hen de bus uitvalt, kunnen ze misschien niet meer naar hun afspraken, of moeten ze op zoek naar onhandige of duurdere alternatieven, zoals de taxi of de hulp van een familielid.
Buiten dat het frustrerend en vervelend is dat het OV steeds onbetrouwbaarder wordt (de stakingen alleen al maken reizen een gedoe), werkt het ook ongelijkheid in de hand. Het televisieprogramma Pointer wees al op het verdwijnen van bushaltes en -lijnen: vervoersarmoede. Mensen die maar moeilijk op hun bestemming komen, hebben minder kansen op de arbeidsmarkt, raken sneller in sociale isolatie en kunnen bijvoorbeeld niet naar school of het ziekenhuis. Dat zijn serieuze problemen.
Ikzelf haal hopelijk binnenkort mijn rijbewijs, zodat ik niet meer op het openbaar vervoer aangewezen ben, maar daarmee is het probleem natuurlijk nog niet opgelost. De volgende eerstejaars student moet weer gewoon met de bus naar de uni kunnen gaan.
Puck Füsers, net afgestudeerd aan het UCM