De opkomst bij de verkiezingen voor de universiteitsraad, faculteitsraden en dienstraden daalt al jaren, vorig jaar was vulde gemiddeld slechts 15,5 procent het stembiljet in (zie ook kader). Regelmatig komt het voor, met name bij de dienstraden en de personeelsgeleding van de faculteitsraden, dat er precies genoeg kandidaten zijn voor het aantal zetels en verkiezingen dus overbodig zijn. Betekent dit alles dat de universitaire democratie ten dode is opgeschreven?
Inspraak
Dat niet, zegt politicoloog Johan Adriaensen (FASoS). “De raden zijn belangrijk, maar niet het begin- en eindstation van de universitaire democratie. De lijnen zijn kort, zeker binnen de faculteiten. Iemand die nu in het bestuur zit, was vorig jaar misschien nog tutor in jouw blok. Als het om belangrijke onderwerpen als ‘Erkennen en Waarderen’ gaat of beleidswijzigingen die ons onderwijs aangaan worden wij als medewerkers ook geconsulteerd. Daarbij kun je je mening geven in een van de commissies of gewoon een gesprek aangaan met de decaan of vice-decaan. De nood om de macht te controleren via een raad is dan minder groot.”
Desalniettemin zou het mooi zijn als de opkomst wat hoger was, vindt Adriaensen. “Als politicoloog vind ik het mijn morele plicht om te stemmen, maar ik doe dat ook niet altijd met evenveel overtuiging. Vooral omdat er niet veel te kiezen lijkt. Soms is er slechts één keuze of zijn er weinig verschillen tussen de partijen. De verkiezingsprogramma’s zijn vaak erg algemeen, met weinig concrete punten. Terwijl op de werkvloer de meningen vaak wel uiteenlopen.” Daarnaast loopt de communicatie over wat er in medezeggenschapsorganen besloten wordt wel eens stroef. “Welke dossiers liggen er op tafel, welke discussies worden er gevoerd? Dat komt niet duidelijk naar voren uit de notulen, waar je sowieso actief naar op zoek moet gaan. Dan krijg je ook minder engagement.”
Steun
Collin Prumpeler, hoofd Student Affairs bij FASoS en universiteitsraadslid voor het ondersteunend personeel, hamert op samenwerken in de raad. “Wij zitten met vier OBP-leden in de U-raad, ik zie de anderen niet als mensen van een andere partij, maar gewoon als collega’s. We zitten er allemaal om de belangen van universiteitsgemeenschap te behartigen.”
Hij wijt de lage opkomst tijdens verkiezingen deels aan de werkdruk. “Iedereen is met hun eigen werk bezig.” Hij hoopt wel dat medewerkers zich realiseren dat een raad het verschil kan maken. “Zaken als de begroting of het Strategisch Plan. Daar kun je invloed op uitoefenen. Daarom is het ook belangrijk dat mensen gaan stemmen. Ik zeg altijd: als je dat niet doet, mag je ook niet klagen achteraf. Dit is je kans om te zorgen dat er iets gebeurt. En je geeft je collega’s die zich kandidaat stellen een steuntje in de rug. Je zit er toch lekkerder met 50 procent steun dan met 15 procent.”
Studentenraad
Raman Ojha, tweedejaars European Law, is voorzichtig positief over de rol van de raden. “Als ik naar mensen om me heen luister, krijg ik de indruk dat studenten nu beter geïnformeerd zijn over het proces en het verschil dat de raad kan maken dan vorig jaar.” Toch ziet hij ook dat “veel studenten denken dat het niet belangrijk of relevant voor hen is.” De geringe zichtbaarheid is daar volgens hem de oorzaak van. “De notulen zijn niet makkelijk te vinden, het is vaak een hele zoektocht. En ook van de raadsleden hoor je weinig. Er is geen connectie tussen je stem en wat er daarna in de raad gebeurt.”
En dat is jammer, vindt hij, omdat studenten, in tegenstelling tot medewerkers, weinig andere mogelijkheden hebben om invloed op het beleid uit te oefenen. “In het bestuur, de opleidingscommissies en focusgroepen zitten vaak alleen medewerkers, misschien soms een enkele studentassistent. En dan wordt de faculteitsraad ook nog voor de helft met medewerkers gevuld. Ik zou graag een raad zien die alleen uit studenten bestaat. Z’n studentenraad werkt dan samen met de andere (medewerkers)organen binnen de faculteit of universiteit.”
Vorig jaar probeerde hij zelf met een eigen partij in de faculteitsraad van rechten te komen. Dat mislukte. Gaat hij een nieuwe poging wagen? “Nee, ik ga volgend jaar op uitwisseling en ik zou mezelf nooit kandidaat stellen als ik weet dat ik de termijn niet kan uitzitten. Maar zelfs als dat niet het geval was, zou ik niet met een eigen partij meedoen. De opkomst is al zo laag en als er dan veel competitie is tussen de partijen, dan zie je dat de gevestigde partijen een voorsprong hebben. Zij weten beter hoe het werkt en hebben wat naamsbekendheid.”
Ook hij vindt dat de partijen vaak min of meer dezelfde uitgangspunten hebben, maar bij rechten ziet hij wel één belangrijk verschil. “Nederlandse partijen richten zich op Nederlands recht, internationale partijen op European Law School. De Nederlanders weten toch beter hoe zo’n raad en de verkiezingen werken en dat zie je terug in de uitslag. Er zit op dit moment maar één internationale student in de raad, dat vind ik wel problematisch.”