Begin jaren tachtig was een werkweek van 90 uur niet ongewoon, zegt Geertjan Wesseling, longarts en hoofd van de afdeling longziekten in het MUMC. “Als je weekenddienst had, ik werkte toen in het ziekenhuis in Haarlem, dan begon je op vrijdagochtend 8.15 uur en stopte je op maandagavond. Je sliep al die dagen in het ziekenhuis, maar nooit aan één stuk door. Om de paar uur werd je gebeld door verpleegkundigen of de spoedeisende hulp. Maandagavond was je volkomen brak en viel ik thuis op de bank in slaap. De rest van de week volgden vier werkdagen van elk tien uur. Over zoiets als de werk-privébalans repte niemand.”
Wesseling herinnert zich dat verpleegkundigen goed in de smiezen hadden wanneer arts-assistenten uitgeput raakten. “Laat mij maar even, zeiden ze dan, en namen op dat moment het bloedprikken over.”
Dat soort werktijden zijn verleden tijd, al zijn de werkdruk en stress groter dan ooit. Het is een van de thema’s die Wesseling zal bespreken in zijn afscheidsrede op 26 april. Ook komen de verworvenheden in zijn vakgebied aan bod, de CT-scans en PET-scans die voor een spectaculaire vooruitgang hebben gezorgd. En moeten we 90-plussers dure medicatie voorschrijven, of zijn deze patiënten meer gebaat bij de zorgzaamheid van een wijkverpleegkundige?
Veel leed
Terug naar de krankzinnige roosters van 90 uur per week. Die spelen in 1984 een hoofdrol tijdens een rechtszaak in New York. In het ziekenhuis aldaar wordt een jonge vrouw opgenomen in verwarde toestand; van arts-assistenten krijgt ze twee soorten medicatie die een paar uur later leiden tot haar dood. De jonge dokters verweren zich met de verwijzing naar de overvolle werkweken.
Na die rechtszaak kantelt de houding tegenover excessieve werktijden, zegt Wesseling. Toen hij in 1986 naar Maastricht kwam, wakkerde hij zelf de discussie aan. En sinds de jaren negentig kwam er wetgeving en toezicht, en zijn de werkdagen steeds korter geworden. “Nu werken arts-assistenten 48 uur per week, waarvan ze 10 uur opleiding volgen.”
En toch zijn de stress en burnout groter dan ooit. “Heel verdrietig om te zien hoe jonge dokters sneuvelen, instorten en afhaken. Het gaat gepaard met heel veel leed.”
Reis naar Bangkok
De hamvraag: hoe kan het, aangezien het aantal werkuren flink is teruggedrongen? Er speelt meer dan alleen de werktijden, zegt Wesseling. “De regelzucht bijvoorbeeld. Artsen moeten veel meer vinkjes zetten dan vroeger. Het is bedoeld om de zorg beter te maken, maar we zijn geen dokter geworden om vinkjes te zetten. Daar halen we geen bevrediging uit.”
Daarnaast ontstaat een hoop stress door verkeerde privékeuzes, zegt Wesseling. “Als je 48 uur per week aan het werk bent, is het slim om in je vrije tijd rust te nemen. Ik ken echter arts-assistenten die bij wijze van spreken een lang weekend naar Bangkok gaan. Dat staat leuk op Instagram, maar je rust voor geen meter uit.”
Bij te veel stress en onvrede over de werk-privébalans is de eerste reflex van bestuurders om het werk te verlichten, zegt Wesseling. “Maar dat is niet altijd verstandig, want jonge artsen moeten voldoende ‘vlieguren’ maken om goed te worden in hun specialisme. Een chirurg moet een x aantal knieën opereren om dat in de vingers te krijgen. Ik vind dat we de laatste jaren te veel water bij de wijn doen, waardoor dokters niet altijd voldoen aan die minimumeisen van het vak. In je opleiding moet je ervaring opdoen, complicaties tegenkomen, patiënten spreken.”
Zijn artsen dan minder competent dan in de jaren tachtig? “Ja, ik zie wel dat sommigen minder handig zijn met casuïstiek, met het ontrafelen van wat precies met een patiënt aan de hand is, of met een verrichting. Over veel patiënten praten we nu met het hele team, in een multidisciplinair overleg. Bijzonder leerzaam en een hele vooruitgang. Maar het is toch iets anders dan zelf dat gesprek voeren en die verrichting doen. We zien steeds meer collega’s en steeds minder patiënten, zogezegd.”
Iets extra’s doen
Advies van Wesseling aan arts-assistenten: richt zes jaar lang al je aandacht op de opleiding. “Benut die tijd om steengoed te worden in je vak. Parkeer die reis naar Thailand, en misschien ook de kinderwens. En zorg dat je in je vrije tijd uitrust. Bedenk daarbij dat de overheid 140 duizend euro per jaar in je opleiding steekt. En dat ook collega’s in het ziekenhuis een hoop tijd in je investeren.”
Maar wat is eigenlijk steengoed? “Dat valt niet heel concreet te maken. Je moet op zeven terreinen alle competenties beheersen, maar het zit ‘m ook in de neiging om iets extra’s te doen, zoals een promotieonderzoek of je bekwamen in een nieuwe techniek. Het is geen garantie dat iemand steengoed wordt, maar het getuigt wel van toewijding.”
Inkomen inleveren
Misschien moet ook de opleiding anders worden ingericht, zegt Wesseling. “Naast hun opleiding houden arts-assistenten ook mede de tent draaiende, wat betekent dat ze in het weekend, ’s avonds en ’s nachts dienst hebben. Noem het corvee. Ze vangen patiënten op, schrijven medicatie voor, of bevestigen een losgeraakt infuus, van die dingen die elke jonge dokter kan doen, ongeacht het specialisme. Elke nacht zijn er pakweg vijftien arts-assistenten in het ziekenhuis aanwezig, waarvan er op elk willekeurig moment drie aan het werk zijn. De anderen zijn er voor het geval dat. Ze hangen rond, wachten, of doen wat administratie. Dat zijn verloren uren.”
Die kun je voorkomen door een “poel van generalisten” te formeren, zegt Wesseling. Wat kan betekenen dat alle arts-assistenten, voordat ze aan hun opleiding beginnen, eerst een jaar werken als generalist in het ziekenhuis. Daarna beginnen ze aan de opleiding, waar ze zich dan ongestoord op kunnen storten. Maar goed, dat kost geld. Waar haal je dat vandaan? “Daar moeten we over nadenken. Als je voorstelt dat jonge dokters een deel van hun inkomen inleveren, breekt de Derde Wereldoorlog uit. Dat is geen optie.”