Het onafhankelijke damesdispuut Schanulleke was haar warm aanbevolen door twee mannen die al in Maastricht studeerden en bij een ‘heerendispuut’ zaten. Hoogenberk (37), die nu als journalist in Amsterdam woont, was toen tweedejaars aan de Fontys Hogeschool in Sittard en deed de lerarenopleiding Nederlands.
Ze meldt zich bij Schanulleke aan op een wat ongebruikelijk moment, in februari, en blijkt de enige nieuweling. Wat betekent dat ze de A-tijd (aspirantentijd) in haar eentje doet en niet kan leunen op lotgenoten. Ze krijgt de meest absurde opdrachten voor de kiezen. Op grond daarvan zullen de leden bepalen of Hoogenberk het waard is om toegelaten te worden.
Blauw gezicht
Van meet af aan wordt haar duidelijk gemaakt dat ze iedereen aanspreekt met ‘mevrouw’ plus achternaam. “Geen voornamen meer.” Daarna volgt een ceremonie waarin ze op haar knieën gekroond wordt tot aspirant-dwerg. Op de wekelijkse dispuutsavond geldt voor haar: boodschappen doen, koken voor tien, afruimen en afwassen. Eenmaal in de kroeg mag ze pas naar huis als het laatste lid is vertrokken. En niet moe of chagrijnig kijken, krijgt ze te horen, maar stralen.
Een van de opdrachten: een gedicht maken over elk dispuutslid. Als ze dat vergeet en erover liegt, moet ze een lange, plastic carnavalsneus dragen. Later wordt die om haar middel gebonden. “Zo”, zegt een van de leden. “Nu heb je een penis!” Er waren twee soorten leden, schrijft ze: “Leden die met humor konden ontgroenen, wat indruk maakte, en leden die niet grappig waren en daarom schreeuwden.”
De opdrachten worden steeds gekker. Van fruithagelslag sorteren op kleur, tot een Bossche bol halen in Den Bosch, in haar eentje met de trein terwijl haar gezicht blauw is geverfd. Het treinkaartje moet ze later overleggen als bewijs. Niet lang daarna vraagt ze zich af: “Hoever ging ik me laten vernederen?”
Alle leden natekenen
Op een dag heeft ze snert gekookt, de leden eten dat maar houden een restje voor haar over. Maar Hoogenberk heeft geen honger. “Stéphanie, je kunt het opeten of je zet alles op je hoofd en trekt er een badmuts overheen. Wat wil je?”
Ze kiest voor het laatste. Die bewuste nacht mag ze niet slapen maar zit ze op de gang. Elk uur dient ze twee leden wakker te maken voor een opdracht. Tweehonderd dingen opschrijven waar ze dankbaar voor is bijvoorbeeld. Of alle tien de leden natekenen.
“Ik dacht aan mensen die het slechter hadden, maar kon niemand bedenken.”
Waarom wilde je bij een dispuut?
“De vriendinnen die ik tijdens het eerste jaar van de studie had leren kennen, waren al wat ouder en trokken na hun afstuderen weg. Ik heb me bij Schanulleke aangemeld om in korte tijd een groep nieuwe vriendinnen le leren kennen.”
Je noemt het dispuut ‘Sneeuwitteke’. Heb je dat gedaan om achteraf geen gedoe te krijgen met het dispuut?
“O nee, helemaal niet. Ik vind het te plat om alles bij de echte naam te noemen, en het hoefde wat mij betreft niet herleidbaar te zijn. Dat de link met Schanulleke zo snel zou worden gelegd, had ik eerlijk gezegd niet verwacht. Of ik het dispuut heb geïnformeerd over mijn boek? Nee, ik heb het niet aangekondigd. Het verhaal is niet iets om boos om te worden, toch? Het is vrij beschouwend en met ironie opgeschreven.”
Misschien vindt het dispuut dat je uit de school klapt.
“De oud-leden moesten er erg om lachen, hun eigen herinneringen kwamen ook weer boven. Vaak doen leden nogal geheimzinnig over ontgroenen, maar in mijn geval is het vijftien jaar geleden.”
Zijn de beschrijvingen van de A-tijd bij Schanulleke waarheidsgetrouw?
“De gebeurtenissen hebben echt plaatsgevonden, maar ik beschrijf ze zoals ik ze heb beleefd, met het gevoel dat ik erbij had.”
Wat vond je het ergst?
“Ik weet niet of ik er één moment uit kan lichten. Zwaar was dat ik de enige aspirant was. Met een blauw gezicht over straat lopen is in je eentje toch anders dan met z’n drieën. Dan voel je je samen miserabel.”
Heb je het als vernederend ervaren?
“Dat vind ik eigenlijk het minst interessante aspect. Ik bedoel, ontgroeningen zijn nu eenmaal vernederend. Dat weet je.”
Weten is één ding, maar het ondergaan is soms toch iets anders.
“Ik zou het in ieder geval weer doen, als ik als student in een stad terecht zou komen waar ik niemand ken. Een ontgroening is vreselijk, maar je krijgt er veel voor terug, je leert veel mensen kennen.”
Terwijl sommige opdrachten toch best ver gaan. Zelf vraag je je in je boek ook af hoezeer je je zult laten vernederen.
“De een vindt het ver gaan, de ander niet. Hangt af van je referentiekader. Een lid van het Amsterdamse studentencorps, berucht om zijn ontgroeningen, noemde mijn A-tijd a walk in the park.”