Beiden zijn ze nu emeritus, maar ooit waren ze de hoogleraren van het eerste uur: Joan Muysken (1948), algemene economie en Hein Schreuder (1951), bedrijfseconomie. Alhoewel, eerste uur, het was in feite nèt iets later.
Muysken: “Wij kwamen hier in een situatie waarin een groepje ‘jonge honden’ zich al uit de naad had gewerkt om een onderwijsprogramma uit de grond te stampen. Die jongens hadden dus alle vrijheid gehad. En dan krijg je figuren als Hein en ik boven je, met meningen over dingen. Dat is schrikken, voor alle partijen. Kijk, normaal krijg je een baan en kom je ergens in een vaste setting. Je moet dan alleen even leren hoe de hazen lopen. Maar hier liepen geen hazen, we moesten alles nog aan de gang krijgen.”
Geen hazen? En die jonge jongens dan?
Muysken met een brede grijns: “Konijntjes ja.”
Schreuder schatert het uit: “Zo zagen ze het zelf natuurlijk niet. Dit was een clubje dat heel enthousiast was begonnen maar de samenstelling… laat ik het zo zeggen: het aantal bedrijfseconomen was buitengewoon klein. Ik had in dit groepje geen accounting collega’s, geen finance collega’s, geen marketing collega’s. Dat zijn kernvakken, die moesten in de propedeuse zitten. Daar was heel weinig over nagedacht. En wat je natuurlijk niet moest hebben was dat mensen van zusterfaculteiten zouden zeggen: hé hé, daar in Maastricht, daar leiden ze mensen op die niets weten van… vul maar in.”
Muysken: “Tilburg - onze grote concurrent want wij zaten in hun achtertuin - dreigde onze propedeuse niet te erkennen. Normaal kon je met een propedeuse van de ene economische faculteit ongezien bij een andere doorstuderen. Wij moesten die garantie hebben, dat mensen ook na het eerste jaar elders verder zouden kunnen. Dan moet je duidelijk maken dat je bepaalde handboeken examineert. Maar dat concept, handboeken examineren, dat vonden die jongens hier niks, dat hoorde niet bij probleemgestuurd onderwijs, en daar waren ze helemaal in opgegaan. Maar als je erover nadenkt hoe je de boel naar buiten toe gaat verkopen, dan heb je toch wel een probleem.”
Ook jullie waren jong destijds. Niet veel ouder dan de ‘jonge honden’.
Muysken: “Dat was net het probleem, ik vond het een schizofrene rol. Je kwam bij elkaar op bezoek thuis, lunchte samen, ik voelde me hooguit een primus inter pares. Maar zij wisten dat als puntje bij paaltje kwam…”
Schreuder: “… dat wij dan de eindverantwoordelijkheid hadden.”
Muysken: “Precies. En die zouden we ook nemen. Zelf heb ik dat niet altijd goed beseft, dat zoiets een afstand creëert. Die ik niet zo voelde maar zij wel. Dat gaf waarschijnlijk spanning.”
Schreuder: “Dat is Joans verhaal, bij mij moesten de dingen vrij snel anders, dus dan zijn de verhoudingen ook vrij snel duidelijk; als ik vond dat iets op een bepaalde manier moest, tja, dan leg je uit waarom, in goed overleg hoor.”
Dat ging niet altijd zonder slag of stoot, neem ik aan. Eindig je dan met: ik ben de baas? Het machtsargument?
Schreuder: “Nee, daar zijn we nooit aan toegekomen. Oprecht niet.”
Muysken: “Dat gebruik je bijna nooit in een academische omgeving, dat is contraproductief.”
De samenwerking tussen de twee kersverse hoogleraren verliep wonderwel, klinkt het, hoe verschillend hun achtergronden ook waren. Muysken kwam uit Groningen, Schreuder uit Amsterdam. Muysken: “We hadden pittige discussies over hoe het hier geregeld moest worden. En zeker in een pgo-omgeving moet je voortdurend compromissen sluiten. Terwijl je dan ook nog uit vakgebieden komt, AE en BE (algemene- en bedrijfseconomie) waar een soort vete tussen bestond. Heel verschillende culturen. Bijna uit instinct nam je de ander niet erg serieus, daar moest je jezelf echt toe dwingen.”
Schreuder lacht: “In het laatste UM-jubileumboek zei Joan dat bij hem in Groningen het idee heerste dat het vooral de wat dommere mensen waren die bedrijfseconomie of -kunde gingen doen, haha, dat vond ik zó geestig om te lezen!”
De nadruk in Limburg op algemene economie was wat Schreuder betreft overigens ook niet al te slim. Hij ziet een weeffout in de opzet van de faculteit. “De nota waarmee ze gestart zijn, ‘Economie in Maastricht’, was geschreven door algemeen economen en dus helemaal in die sfeer, inclusief drie aandachtsgebieden, arbeid, technologie en de publieke sector, waar ik als bedrijfseconoom niet veel mee kon, zeker niet met alle drie, hooguit met anderhalf. Maar wat je óók zag, was dat in ieder geval déze algemeen economen weinig voeling met de markt hadden gehad, haha! Ze wisten niet wat de omgeving wilde, namelijk veel meer een business school achtige opzet, en ze negeerden de trend die ook elders in het land gold: studenten kozen voor de bedrijfskant, 80 of 90 procent deed dat. Dat hadden ze kunnen weten natuurlijk.”
Jij blij dus?
Schreuder: “Nou, dat was een gemengde blijdschap hoor. Want we waren wel in het pak genaaid van wat toen officieel de kern van een economische faculteit moest uitmaken, met vier hoogleraren AE, vier BE en twee van KE, kwantitatieve economie. Voordat die allemaal binnen zijn, ben je vijf jaar verder. En in de tussentijd hangt de faculteit uit het lood want de studenten kiezen massaal voor bedrijfswetenschappen. Dat was een enorme belasting voor onze mensen, daar hebben we ontzettend mee geworsteld.”
Wat had er dan moeten gebeuren?
Schreuder: “Ze hadden vanaf het begin kunnen kiezen voor iets heel anders, voor dat wat de regio hier wilde, een aparte business school, maar dat was politiek waarschijnlijk niet haalbaar geweest, Tilburg had zeker dwarsgelegen, en met hun CDA-connecties misschien met succes, dat weet ik ook wel. Maar al vrij snel, in september ’84, vroeg (decaan) Wil Albeda me tot mijn verrassing om eens na te denken over iets wat lijkt op een business school binnen de faculteit.”
Muysken gniffelt: “Haha, hoor je dat? ‘Tot zijn verrassing’, Hein had er niks mee te maken hè, het was helemaal spontaan!”
Schreuder: “Nou, men wist inderdaad wel dat ik het een verstandig idee vond.” Een brede grijns.
Was jij van die machinaties op de hoogte Joan?
Muysken: “Nee, maar ik had er ook weinig belangstelling voor. In die dagen kwam Albeda met allerlei exotische dingen aanzetten...”
Schreuder: “Ja, er kwamen heel veel ballonnetjes voorbij.”
Muysken: “…dan moest ik weer mee in de auto met Albeda en [Limburgs gouverneur] Sjeng Kremers, ik op de achterbank als een soort jongste bediende, naar een of ander kasteel waar iets uit de doeken werd gedaan, allemaal vage verhalen. Ik had er een grondige aversie tegen.”
Schreuder: “Ja, haha, en dus kwamen ze bij mij uit. Of ik het wilde onderzoeken.”
Muysken lachend: “Hein, de boef, heeft meerdere malen geprobeerd, ook met die andere boef, Luc Soete, om hier een business school van te maken. Gelukkig is dat niet gebeurd.”
Schreuder: “Nou ja, het is nu wel de School of Business and Economics.”
Nog even terug naar de begintijd. Uit het niets een faculteit opbouwen, hoe ging dat?
Muysken: “Ja, hoe zie jij dat Hein, hoe hebben we het in godsnaam gered eigenlijk? Want er waren zo veel belangentegenstellingen en we hebben toch zo veel goede zaken kunnen doen; volgens mij hadden we veel impliciete afspraken, jij regelt dit, ik regel dat. En we bemoeiden ons niet met elkaars tent, daar gold een soort non-interventiemechanisme.”
Schreuder: “Klopt, live and let live. Zo deden we dat.”
Muysken: “Maar die impliciete afspraken, daar kon Paul niet mee omgaan, of hij had het niet eens in de gaten! Hein en ik keken elkaar even aan en dan was er weer iets geregeld.”
Paul, dat was Paul van Loon, kort na Schreuder eveneens tot hoogleraar BE benoemd. Maar het boterde niet tussen die twee.
Maar even los van Van Loon; onderling hadden jullie toch ook gedonder?
Muysken: “Héél veel! Alleen, dat geeft niet, we wisten van elkaar dat je geen seconde over het nakomen van afspraken hoefde te twijfelen. Bij ons was het snel van: we agree to disagree.”
Schreuder: “Mee eens. En je moet samen iets doen, je hoeft geen vrienden te worden. De fundamenten van de samenwerking waren goed. In die beginjaren, dan zat je met een paar hoogleraren, daar kwam altijd datgene uit waar Joan en ik het over eens waren, haha.”
Muysken: “Het was een kwestie van elkaar goed aanvoelen, veel dossierkennis, en snel denken. Zo ging dat.”
De jonge honden concentreerden zich op het maken van een onderwijsprogramma. Voor onderzoek hadden ze geen tijd. Maar wetenschappelijke staf die geen onderzoek doet? Muysken: “Landelijk werd het steeds belangrijker, dat voelde ook Hein heel goed aan, ofschoon BE toen nog geen sterke onderzoekstraditie had. Meteen toen we kwamen vroegen we: hoe staat het met jullie promoties?”
Schreuder: “Precies, dat zeiden we: onderzoek doen jongens! Promoveren!”
Muysken: “Nou, die werden helemaal pips.”
Schreuder: “Wij waren het er, en even later samen met Frans Palm van KE, roerend over eens dat er een onderzoekscultuur moest komen, faculteitsbreed. Dus toen we functies moesten verdelen - we hadden allebei geen zin in het decanaat, haha, dat kan ik nu wel verklappen - ben ik voorzitter van de wetenschapscommissie geworden. En het is aardig gelukt in die eerste jaren. Daarna kan ik het niet beoordelen, ik ben in ’91 vertrokken.”
Muysken: “Later is het helemaal misgegaan, helemaal doorgeschoten. Ook door landelijke ontwikkelingen. Die algoritmische benadering, het tellen van A-publicaties, en daarna A-plus publicaties; je telt niet meer mee met een B-publicatie…”
Schreuder: “…of als je een boek schrijft…”
Muysken: “Precies, en Nederlandstalig is helemaal niet meer aan de orde.”
Schreuder: “Totaal doorgeschoten.”
Aan het einde van het gesprek komt Schreuder met een uitsmijter die hij graag even gezegd wil hebben: “De meeste innovaties mislukken, zo’n 80 procent redt het niet. En deze innovatie, deze faculteit, is dus gelukt. Het is internationaal geworden, pgo heeft er zijn plaats gevonden.”
Muysken: “En de faculteit levert goede studenten af. We zijn gewoon goed.”