En weer neemt een minister van Onderwijs een besluit dat indruist tegen wat we van een verantwoordelijke minister mogen verwachten. Ik bedoel het loslaten, of het aanzienlijk versoepelen, van de prestatienorm in het eerste jaar van universitaire opleidingen. Opleidingen hebben de mogelijkheid om in het eerste jaar het kaf van het koren te scheiden. Zij mogen besluiten ongeschikte studenten uit de opleiding te verwijderen. Daarvoor bestaan normen. Studenten kunnen in hun eerste jaar zestig punten behalen. Dat is het maximum. De meeste opleidingen eisen niet van studenten dat ze het maximum behalen. Daar zijn goede redenen voor te geven. De overgang van het voortgezet onderwijs naar de universiteit is groot en geeft in veel gevallen praktische en gevoelsmatige problemen. Denk hierbij aan het vinden van een kamer en het opbouwen van een nieuwe vriendenkring. Daar gaat ook veel tijd in zitten die waarschijnlijk ten koste gaat van hun studie-inspanningen. Vandaar dat de meeste opleidingen niet de lat op maximale hoogte leggen. Gemiddeld genomen is 45 punten voldoende.
Maar Dijkgraaf gaat de norm aanzienlijk versoepelen. Dertig punten zijn genoeg volgens hem; het restant moeten de studenten in hun tweede jaar halen. Hij heeft zijn oor te luister gelegd bij de studentenorganisaties die al jaren verkondigen dat de stress onder studenten te hoog is, mede door de druk om de norm te halen.
Hulpvragende wezens
Waar praten we over? Universitair onderwijs is vormend. Universitair onderwijs leidt jonge mensen op tot jonge beroepsbeoefenaren. Zij gaan later in beginsel vooraanstaande posities innemen in de maatschappij. Daar moet blijken dat ze inderdaad vooraanstaand zijn en dat ze het voortouw kunnen nemen wanneer zich problemen aandienen. Maar leiden onze universiteiten ze wel op tot onafhankelijke denkers, probleemoplossers en doeners? Dat is maar zeer de vraag. Het onderwijs en de onderwijsomgeving zorgen er juist voor dat studenten hulpvragende wezens worden.
Vind zelf woonruimte
Er zijn allerlei voorzieningen voor studenten die niets, maar dan ook niets met de maatschappelijke opdracht aan universiteiten hebben te maken. Denk aan voorzieningen als studentensportverenigingen, studentpsychologen, studentdecanen, studentartsen, studentorkesten en studenthuisvesting. Voor iedere mogelijk hobbel die studenten in hun studieperiode kunnen tegenkomen, of wanneer ze specifieke wensen hebben, biedt de universiteit een oplossing. In plaats van dat universiteiten hen dwingen zelf een oplossing te zoeken - in de maatschappij zijn genoeg instanties waar ze terecht kunnen -, reiken ze kant-en-klare oplossingen aan. Universiteiten schieten te hulp bij de geringste hulpvraag. Dat werkt natuurlijk averechts. Bij studenten ontstaat een verwachtingspatroon dat de universiteit voor ieder probleem een oplossing heeft. Door die speciale behandeling lijkt het erop of ze tot het uitverkoren volk behoren. Het zou veel beter zijn wanneer studenten al tijdens hun studie zich gaan realiseren dat ze deel uitmaken van een maatschappij en net als andere Nederlanders daarin hun weg moeten weten te vinden. Vind zelf woonruimte, vind zelf een huisarts, vind zelf een psycholoog, ga sporten bij de plaatselijke sportvereniging en ga bij de plaatselijke fanfare wanneer je wilt musiceren.
Onder druk zetten
En als de eigen universiteit onverhoopt niet thuis geeft bij hun vraag om hulp, zijn er de studentenvakbonden wel die namens hun achterban de minister onder druk zetten. De minister is op zijn beurt weer bang om negatief in het nieuws te komen en zie, de student krijgt alsnog gelijk want de rug recht houden is weinigen gegeven. Dat is jammer.
Henk van Berkel, onderwijsonderzoeker en gepensioneerd wetenschappelijk medewerker van de UM