“Als dit debuut wordt neergesabeld, stop ik meteen”, zei Frank Nellen in 2019 tegen Observant na het verschijnen van Land van dadels en prinsen. Die roman werd niet afgefakkeld en hij stopte niet – gelúkkig niet, mogen we zeggen nu we zijn tweede, De onzichtbaren, in handen hebben. Terwijl die eersteling voorzichtig positief ontvangen werd, zijn de recensies nu lovend. En, spoiler alert, dat is terecht. Nellen, in het dagelijks leven docent belastingrecht aan de UM en fiscalist bij Baker Tilly, bewijst zich als een rasverteller.
Hij schotelt ons het verhaal voor van Dani, die opgroeit in een Oekraïens dorp in de Sovjet-Unie eind jaren zestig, begin jaren zeventig. De dingen gaan er zoals ze gaan, gewoon, zo lijkt het, omdát ze zo gaan. Dat wil zeggen, totdat er een nieuwe jongen in het dorp neerstrijkt. Pavel is anders, hij valt op, en niet eens zozeer omdat hij maar één oog heeft. Nee, Pavel valt op omdat hij boeken leest, zich openlijk verzet tegen de tirannieke lerares van de dorpsschool en zijn kameraden verhalen vertelt. Zo jong als hij is, bezit hij “het vermogen om je met een handvol woorden te verplaatsen naar andere tijden en werelden. Zijn stem blies leven in de personen die je daar ontmoette. Hij trok hun ziel uit de vergetelheid en liet je in hun ogen kijken. Je bevond je werkelijk in een kolenmijn, of op een sneeuwvlakte vol kadavers en ondergesneeuwde kanonnen – in elk geval niet in de klauwen van ons alledaagse bestaan”.
Want terwijl Pavel al snel naar kostschool en universiteit mag, zijn de dorpsjongens veroordeeld tot precies dat: een alledaags, grijs bestaan vol afstompend werk in een vervallen lampenfabriek. Nellen maakt de grauwe geestdodendheid van het gewone leven onder Sovjetbewind invoelbaar, net als de vertwijfelde pogingen van Dani en zijn vrienden om aan die zinloosheid te ontkomen door drank, affaires en cynisme; wegen die uiteindelijk alle even goedkoop en nutteloos blijken.
Maar de roman draait om méér dan de kleine verhalen van onzichtbaren. In de levens van arbeider Dani en intellectueel Pavel schemert steeds ook het grotere verhaal door van het reëel bestaande communisme, dat zijn betoverende uitwerking op de mensen verliest, ontrafelt en ten slotte verkruimelt. Dit wordt tastbaar in de scène waarin Pavel een buste van Lenin op een bibliotheekvloer uiteen laat spatten: “Hij bleek van gips te zijn – niet van marmer of albast, en ook niet van beton, die oerbouwstof van het socialisme. Dat was het dan: de onaantastbaarheid van de vader van de Unie was teruggebracht tot een fabel, een leugen uit andere tijden – iets wat werd benadrukt door het goedkope materiaal waaruit hij was gegoten.”
De onzichtbaren is inderdaad, zoals elders in de media is opgemerkt, zwanger van de actualiteit – Vladimir Poetins nostalgische hang naar de tijd van een groot Sovjetrijk inclusief Oekraïne is welbekend. Maar misschien is het boek vooral ook zwanger van een verleden, dat deze hervertelling ook zonder Poetin meer dan verdient. Dat het blijkbaar nodig is om in de namen- en begrippenlijst uit te leggen wie Jozef Stalin ook alweer was, is wat dat betreft veelzeggend. Zo is Frank Nellens jongste roman goed getimed en tijdloos tegelijk. Wie zich dit verhaal laat vertellen, krijgt daar geen spijt van.