Helaas, nogal wat docenten willen niet met Observant praten, deels omdat ze geen last ermee willen krijgen, klinkt het. Gelukkig zijn er schriftelijke bronnen: een uitgebreide mailwisseling van stafleden, de notulen van een stafvergadering en zeker ook het rapport waar alles mee begon: de workshop over diversiteit en inclusie.
De conclusies daarvan logen er niet om: de opleiding Arts & Culture (AC) is “zeer eurocentrisch”, “vooral gericht op mannen” en “witte Nederlanders”, en “doet totaal geen recht aan de diversiteit in de samenleving”. Onderwerpen als racisme en kolonialisme worden “oppervlakkig behandeld, alsof je een kinderboek leest”; veel docenten “weten er simpelweg te weinig over, hebben onvoldoende kennis”. Over mensen van kleur wordt tijdens lessen “mensonterend en oppervlakkig” gesproken, terwijl veel mensen op de faculteit cultuur- en maatschappijwetenschappen (FASoS) “doen alsof racisme niet bestaat”.
Vorige maand viel een verslag van die workshop in de inbox van alle docenten binnen de bachelor AC. Afgelopen voorjaar hadden daar negen studenten aan deelgenomen. Op initiatief van de werkgroep Diversifying the BA Arts and Culture Curriculum, die werd opgericht door een aantal docenten. Het moet gezien worden als “een eerste stap richting het betrekken van de stem van onze studenten in de prangende discussie over hoe het curriculum (…) inclusiever, diverser en meer up-to-date te maken”, aldus de werkgroep in het rapport.
Volgens de deelnemende studenten moet dat onder meer gebeuren door het curriculum te “dekoloniseren”, meer literatuur van mensen van kleur te behandelen, en docenten in te huren die “daadwerkelijk iets afweten van onderwerpen als kolonialisme en LGBTQ-zaken”. Ook moeten staf en studenten training krijgen over onder meer “genderneutrale voornaamwoorden en genderidentiteit” en is het nodig om “vooral voor witte studenten” bepaalde literatuur beter in een context te plaatsen.
Parodie
Het rapport zorgt voor de nodige verontwaardiging en vragen onder stafleden. Als opleidingsdirecteur Darryl Cressman het rondstuurt, doet hij dat met alleen de summiere mededeling dat het verslag besproken zal worden tijdens een stafoverleg een week later. Maar van wie kreeg de werkgroep precies de opdracht om deze workshop te organiseren? En gaat het rapport als uitgangspunt dienen om de bachelor te hervormen? Daarover bestaat op dat moment veel onduidelijkheid, blijkt uit een mailwisseling tussen stafleden die volgt op het oorspronkelijke bericht van de opleidingsdirecteur, die Observant in handen heeft.
Harry Oosterhuis, historicus en als docent al meer dan dertig jaar betrokken bij de faculteit, toont zich uiterst kritisch: “Is dit rapport een parodie?”, begint hij in zijn reactie aan collega’s “Het rapport biedt niets anders dan een karikatuur van wat AC is en is geweest.” De studenten lijken in de workshop “niet gehinderd te worden door aanzienlijke kennis over ons kunst- en cultuurprogramma en de achtergrond ervan, en ook niet door het vermogen om onderscheid te maken tussen analyseren, begrijpen en weten aan de ene kant en beoordelen en oordelen aan de andere kant.” En wat ‘de veiligheid’ van studenten betreft als ze zich beledigd voelen: “In historische bronnen en meer recente teksten vinden we keer op keer ‘beledigend’ idioom. Betekent dit dat dergelijke geschriften niet meer gelezen mogen worden door studenten omdat hun gevoelens gekwetst zouden kunnen worden?”
Ook twijfelt hij of de workshop een startpunt moet zijn voor een discussie over een nieuw curriculum. Dat vragen ook andere stafleden zich af in hun mails. Is de kleine groep van slechts negen studenten wel representatief? Enkele stafleden schrijven de aantijgingen in het rapport niet te herkennen uit eigen gesprekken met studenten en reguliere studentevaluaties.
Verder valt men erover dat in het rapport individuen benoemd worden. Zo reppen de studenten over “docenten waar we van houden” en “problematische docenten”. In beide categorieën wordt een aantal namen genoemd, waarbij in het rapport alleen de negatieve gevallen – waarvan binnen de staf wel duidelijk is om wie het gaat, zeggen sommigen – geanonimiseerd zijn. Dat dit op deze manier rondgestuurd wordt onder collega’s, noemen stafleden in de mails “pijnlijk”, “ongepast” en “schadelijk”.
Slordig
Universitair docent Simone Schleper, die lesgeeft in de bachelor en lid is van de werkgroep, zegt geschrokken te zijn van de toon van de reacties. “Ik had niet verwacht dat het rapport zo explosief zou zijn. Jammer genoeg ontbrak er ook wat context bij het rondsturen. Niemand heeft gezegd dat de groep studenten representatief is. Maar het is wel belangrijk om ieders stem te horen, dus ook die van deze studenten.”
“Het was inderdaad wat slordig om het zonder veel context te versturen”, geeft opleidingsdirecteur Cressman toe. “Maar ik begrijp de negatieve reacties niet. Het is zeer ongepast om zulke kritiek in een reply-all naar alle stafleden te sturen. Dat is schadelijk voor de onderlinge verhoudingen. Een aantal stafleden heeft veel tijd en moeite in dit rapport gestoken, omdat ze de opleiding willen verbeteren. Dat juich ik zeer toe. Net zoals ik dat zou doen als iemand met een ander idee zou komen, bijvoorbeeld of je de bachelor helemaal in het Nederlands kan doen.”
Maar kan het rondsturen van een rapport waarin studenten beschuldiging uiten richting individuele docenten niet ook schadelijk zijn? “Nee, dat denk ik niet”, zegt Cressman. “In onderwijsevaluaties kom je als docent ook veel heftige opmerkingen van studenten tegen, daar leer je mee omgaan.” Ook Schleper meent niet dat het rapport ongepast is. “Je moet professionele afstand kunnen houden tot studenten en hun uitspraken.”
Curriculum herzien
Cressman onderstreept dat het rapport vooral bedoeld is als startpunt van een discussie. “Soms krijg ik het gevoel dat mensen denken dat ik een bepaalde agenda heb, maar dat is zeker niet het geval. Zelf durf ik niet te zeggen of het curriculum diverser moet, daarvoor ken ik de inhoud niet zo goed als de vakcoördinatoren. Maar het is wel belangrijk om deze discussie te voeren. Als we vanuit de faculteit, het college van bestuur of studenten de vraag krijgen hoe het met de diversiteit binnen ons programma zit, dan moeten we kunnen aantonen dat we er over nagedacht hebben. Maar er zijn op dit moment geen plannen om het curriculum te herzien.”
Janosch Prinz, voorzitter van het orgaan dat veranderingen in het curriculum moet goedkeuren, de opleidingscommissie (van de bachelor AC), beaamt dat laatste. “De opleiding focust zich van oudsher op de Westerse cultuur. Dat blijft gewoon zo, we gaan ons bijvoorbeeld niet opeens ook op Oosterse culturen richten. Omdat we daarvoor niet de benodigde expertise in huis hebben, maar ook omdat daar al ander aanbod voor is op deze universiteit, bijvoorbeeld binnen de opleiding Global Studies.” Desondanks hekelen de studenten in het rapport de Westerse focus en zeggen ze bij hun studiekeuze te zijn misleid door “valse beloftes en leugens”. Prinz: “Dat was inderdaad opvallend. We zullen komende tijd bekijken of de marketing op één lijn ligt met de inhoud van de opleiding.”
Kolonialisme
Verandert er dan helemaal niks binnen de opleiding? Dat niet, zegt Prinz. “Je moet altijd controleren of bijvoorbeeld je literatuur nog up-to-date is. Daarnaast wordt ook de studentenpopulatie diverser.” Het programma moet dat weerspiegelen, aldus Prinz. Wat betekent dat concreet? “Dat je onderwerpen vaker in een bredere context plaatst, bijvoorbeeld die van de imperialistische en kolonialistische geschiedenis. Westerse culturen zijn immers gedeeltelijk gevormd door contact met andere culturen. Het bestuderen daarvan is tegenwoordig belangrijker dan enkele decennia geleden. Vaak is het een kwestie van kleine aanpassingen, zoals de literatuur herzien. In delen van de bachelor is dat de afgelopen tien jaar al gebeurd. Dat ligt in handen van de docenten, waarbij ze naar de studenten kunnen luisteren.”
Lukt dat als studenten een felle toon aanslaan in een evaluatie of tijdens een college? Bijvoorbeeld als het om ‘gevoelige’ onderwerpen als zwarte piet of de omstreden Franse auteur Michel Houellebecq gaat? Of wanneer het “n-woord” valt, een voorbeeld uit het rapport waar de studenten over vallen? “Dat is een kwestie van ervaring”, zegt Prinz. “Je moet dan als docent de context helder maken. Maar het is belangrijk om zulke onderwerpen niet te mijden, want kritische analyse van verdeeldheid en extreme posities in de Westerse cultuur is een belangrijk onderdeel van onze opleiding.”
Onderliggende sentimenten
Een week na het versturen van het rapport, half oktober, volgt het stafoverleg. Volgens Cressman zijn er excuses aangeboden aan degenen die zich gekwetst voelden door het rapport of de toon van de mails. “Daarna hebben we een goede discussie kunnen voeren.” Ook Prinz noemt de bijeenkomst “constructief. Als je in gesprek gaat, blijken de verschillen tussen collega’s niet zo groot te zijn als ze in mails lijken.” Volgens Schleper toont de situatie ook aan dat er onderliggende sentimenten zijn. “Bijvoorbeeld over werkdruk, of misschien voelt niet iedereen waardering voor hun inspanningen voor de opleiding in het verleden. Dat kan ook in andere discussies, bijvoorbeeld over internationalisering, snel tot polarisatie leiden. We vormen maar een klein clubje docenten. Het is belangrijk dat we blijven samenwerken en overleggen.”
Opleidingsdirecteur Cressman, die de affaire zo snel mogelijk wil begraven, probeert echter een positiever beeld te schetsen. Hij stelt dat er geen discussie meer is. “Die ligt in het verleden, het probleem is opgelost. Sinds de vergadering heb ik er nauwelijks meer iemand over gehoord. Dat Observant er nu over schrijft is wat mij betreft erg jammer, want het kan de discussie opnieuw oprakelen.”