“Zonder international classroom gaan we veertig jaar terug in de tijd”

“Zonder international classroom gaan we veertig jaar terug in de tijd”

Zijn UM-studenten en medewerkers bezorgd over de uitslag van de aankomende verkiezingen?

14-11-2023 · Achtergrond

De Tweede Kamerverkiezingen staan voor de deur. Partijen als de VVD en het Nieuw Sociaal Contract van Pieter Omtzigt, die hoog in de peilingen staan, willen de Nederlandse taal weer terug in de bacheloropleidingen. Maakt dat Maastrichtse studenten en medewerkers nerveus? Geloven ze dat straks de bezem gaat door de vele Engelstalige studies, en iedereen, staf én student, op Nederlandse les moet? Of denken ze dat de Universiteit Maastricht buiten schot blijft?

“O, zijn er binnenkort verkiezingen? Dat wist ik niet. Ik werk half in Maastricht, half in Londen en woon in Duitsland, net over de grens bij Nijmegen. Ik ben Grieks en volg vooral het nieuws in mijn vaderland. Ik ben bang dat ik me niet heb gerealiseerd dat we hier mogelijk een probleem hebben.” Michalis Moatsos, nog niet zo lang universitair docent International Economics aan de School of Business and Economics, kijkt opgewekt en herinnert zich dan dat de kritische houding van een aantal politieke partijen (zie kader onderin) ten opzichte van de in hun ogen uit de hand gelopen verengelsing van het onderwijs en de te grote instroom van buitenlandse studenten, wel eens aan de orde is gekomen tijdens vergaderingen. “Ik hoor dan steeds dat de Universiteit Maastricht een uitzonderingspositie zal krijgen en dat klinkt mij als muziek in de oren. Ik ga me er geen zorgen over maken, ik heb er toch geen invloed op.”
 

"Omtzigt snapt denk ik niet wat er gebeurt in Schools als de SBE"

In het SBE-gebouw, een verdieping verder dan Moatsos, klinkt echter verontwaardiging. “Hoe ik tegen de Haagse discussie aankijk? Met verbijstering en ongeloof”, zegt Gaby Odekerken-Schröder, vice-decaan internationalisering van de SBE en lid van de universiteitsbrede Strategic Board Internationalisation. “Wij hebben sinds de jaren tachtig hard gewerkt om een internationale universiteit uit de grond te stampen, het zit in ons DNA, dit is wie we zijn. Dat is heel wat anders dan een Engelstalige opleiding verzorgen. Omtzigt snapt denk ik niet wat er gebeurt in Schools als de SBE, want anders zou hij niet voorstellen om overal Nederlands als voertaal in te stellen. Het is surrealistisch.”

Masterstudent van de faculteit Science and Engineering (FSE), Jan Super, overvalt eenzelfde gevoel: “Mijn master is Engelstalig, logisch, het hele vakgebied van kunstmatige intelligentie is internationaal. Stel je voor dat dit Nederlandstalig zou moeten worden, dat is te gek voor woorden.” Hij hoort tot zijn spijt veel “rechtse” geluiden in Den Haag: “Omtzigt zal het punt van ‘minder buitenlandse studenten’ niet laten vallen als zijn partij de grootste wordt. Met Nederlands als standaardtaal heeft hij een ‘handige’ manier om te hakken in Engelstalige opleidingen en zo buitenlandse studenten ‘tegen te houden’.”

Zijn decaan bij de FSE, Thomas Cleij, vermoedt dat het zo’n vaart niet zal lopen. Nuchter: “Wij nemen als UM een uitzonderingspositie in, vanwege de ligging en de arbeidsmarkt, dat is zo logisch!” Maar wat te doen als er straks toch strenge wetgeving komt? “Wat je hoort is dat instellingen moeten aantonen waaróm hun opleidingen Engelstalig zijn, men zegt niet: ‘Het mag niet’. Kijk naar onze faculteit, de hele arbeidsmarkt is Engelstalig, net als bij bijvoorbeeld Europees recht, International Business en European Public Health. Dan kies je ook voor een internationale doelgroep.”

Bo Schmeitz, derdejaars fiscaal recht – “een Nederlandse studie, met Nederlandse literatuur, onderwijsgroepen en colleges” – sluit zich net als Odekerken-Schröder bij Cleij aan. Schmeitz vindt het niet meer dan logisch dat de UM een uitzondering vormt, zeker gezien de ligging in de euregio. Odekerken-Schröder: “Als er een uitzonderingspositie komt, dan is die voor de UM. Dat zeg ik tegen staf die zich zorgen maakt. We zullen vechten tot het gaatje om dat voor elkaar te krijgen.”


"Meer begrip voor elkaars cultuur"

Voor de meeste SBE-studenten, zo heeft Odekerken-Schröder nagevraagd, is het Haagse gemor niet zo’n groot thema. “Maar als het ter sprake komt, hoor je: waar kan ik me dan straks voorbereiden op een internationale loopbaan? Een studie International Business zonder international classroom is onmogelijk. Dat is als een Pabo zonder kinderen. Als dit straks niet meer kan, gaan we veertig jaar terug in de tijd.”

De international classroom, vult Moatsos aan, bereidt niet alleen voor op een internationale loopbaan, maar kweekt ook meer begrip voor elkaars cultuur. “De recente oorlogen in Oekraïne en Palestina laten zien hoe belangrijk het is dat partijen om de tafel gaan zitten. In onze classrooms dragen we daar op een bijna stille wijze aan bij.”

 

“Het is aan het doorslaan, het lijkt wel alsof we moeten vechten voor Nederlandstalige vakken"

Is de UM te ver doorgeschoten wat betreft de Engelse voertaal of de hoeveelheid Engelstalige opleidingen? Ja, klinkt het in faculteiten waar men (soms) nog deels in het Nederlands les geeft. Bij rechten bijvoorbeeld. En nee, tegen internationalisering is hij zeker niet, benadrukt Jacques Claessen, bijzonder hoogleraar herstelrecht en coördinator van de Nederlandse track van de master forensica, criminologie en rechtspleging. “Het is een bekrompen gedachte dat je de grenzen sluit voor studenten en wetenschappers.” Maar, vindt hij: “Het is aan het doorslaan, het lijkt wel alsof we moeten vechten voor Nederlandstalige vakken. Steeds vaker wordt gezegd: ‘Dat keuzevak bieden we alleen nog aan in het Engels’, daar kunnen Nederlandse studenten dan bij aansluiten. Daar moeten we mee stoppen.”

Ook Frank Huisman, emeritus hoogleraar medische geschiedenis en een van de oprichters van Science in Transition, een organisatie die sinds 2013 strijdt voor een andere wetenschap met minder werkdruk en een andere beoordeling van wetenschappers, vindt de situatie in Nederland wel degelijk doorgeschoten. En ja, ook hij, net als Claessen, erkent dat internationalisering een feit is, “en daarvoor kan verengelsing nuttig zijn. Maar je moet per faculteit, per opleiding kijken of het nodig is. Bij mijn eigen faculteit, cultuur- en maatschappijwetenschappen (FASoS), is het Nederlands helemaal verdwenen.”

Om te vervolgen: “Nederland is het beste jongetje van de klas, we gaan in Europa op kop als het gaat om Engelstalige curricula. Kijk naar het rapport Language matters van de Belgische KNAW, de Nederlandse situatie is een angstbeeld voor de Vlamingen. Nederlands als academische taal staat op een waakvlam, het aantal buitenlandse studenten rijst de pan uit, er is een kamertekort en de student-staf ratio is uit evenwicht. Ooit wilde men hier Harvard of Oxford aan de Maas worden. Maar Harvard heeft meer geld dan alle Nederlandse universiteiten samen. In Oxford heb je één docent op drie studenten, hier één op dertig. Met dat geld kopen ze kwaliteit en behalen ze hoge scores op ranglijsten als de Shanghai Ranking. Hier staat de kwaliteit van het onderwijs onder druk juist door de groeiende studentenaantallen. Gevolg: de werkdruk is enorm, docenten vallen uit, en er worden makkelijker genadezesjes gegeven.”

Bij de SBE klinkt een heel ander geluid. Nee, we zijn niet doorgeschoten, verklaart Odekerken-Schröder stellig. “En ik preek hier niet alleen voor eigen parochie. Bij de SBE zijn we omstreeks 1988 begonnen met International Management, de eerste Engelstalige opleiding, en dat hebben we verder uitgebouwd. Wij zijn nog steeds een tweetalige universiteit, kijk alleen al naar Nederlands recht of geneeskunde.”
 

"De trend is al jaren: dezelfde zak met geld en een toename van studenten"

Wat dit verhaal zo lastig en complex maakt, is het financieringssysteem, analyseert Huisman. Studentenaantallen, maar ook het aantal promoties, zijn cruciaal voor de hoogte van de overheidssubsidie. “De universiteit die de meeste studenten binnenhaalt, krijgt de grootste hap uit de koek. Dat is een perverse prikkel. De trend is al jaren: dezelfde zak met geld en een toename van studenten.”

Janosch Prinz, universitair docent politieke en sociale filosofie bij FASoS, wijst eveneens op de kwalijke invloed van het financieringsstelsel. “De universiteiten strijden om dezelfde pot met geld, als de een harder groeit is dat pech voor de ander. Ze werken samen in UNL-verband, de vroegere VSNU. Hoe gezamenlijk is dat? Waarom is daar nooit tegen de overheid gezegd: wij weigeren om nog verder te groeien. Als je de handen ineen slaat, kun je de druk wegnemen.” 

De jacht om zoveel mogelijk buitenlandse studenten binnen te halen omdat ze een cash cow zouden zijn? Odekerken-Schröder herkent dat beeld helemaal niet. Heel beslist: “Wij hebben een numerus fixus voor International Business van 750 eerstejaars. Zouden we dat loslaten dan krijgen we vier keer zoveel studenten binnen. Wij werven voor de international classroom, het gaat ons om de kwaliteit.”

Dit financieringssysteem kent alleen maar verliezers, vindt Huisman. Wat goed zou zijn: hetzelfde bedrag aan subsidie per universiteit en minder studenten. “Dus ja, ik ben voor een kleinere universiteit én selectie aan de poort want niet iedere student die nu bij ons studeert is hiervoor geschikt.”
 

“Ik voel de sociale druk om Engels te praten"

“Officieel is de UM tweetalig, maar eigenlijk is het vooral Engelstalig. Dat merk je aan het aantal Engelstalige opleidingen, aan de staf die steeds internationaler wordt, je merkt het aan de voertaal tijdens vergaderingen”, meent jurist Claessen. “Als je vindt dat de verengelsing ‘doorslaat’, word je al gauw in het hokje van de conservatieveling geplaatst. Maar ik denk dat mensen zich het beste kunnen uitdrukken in hun moedertaal, dat merk ik zelf ook. Als ik genuanceerd wil zijn, spreek ik het liefste Nederlands, maar tijdens vergaderingen spreekt vrijwel iedereen Engels zonder zich af te vragen of het echt nodig is. Regelmatig vraag ik me dan af: waarom dit automatisme?”

Ook Schmeitz, die een Nederlandstalige rechtenstudie volgt, in een “Nederlandse bubbel” leeft, en als studentlid tijdens faculteitsraadsvergaderingen overschakelt op het Engels – hij voelt de “sociale druk” om dat te doen - vindt het soms lastig als “ik heel genuanceerd wil zijn. Dat lukt gewoon beter in mijn moedertaal.”

Ook in onderwijsgroepen speelt dat probleem, hoort Boy Houben, universitair hoofddocent interne geneeskunde en voorzitter van de faculteitsraad Health, Medicine and Life Sciences. “Dat geldt voor zowel studenten als docenten. Je krijgt minder diepgang. Mensen zoeken naar woorden, de discussie is oppervlakkiger. Een college geven is anders, dat bereid je voor, het gaat over je eigen vakgebied, onze vakliteratuur is allemaal in het Engels.” Overigens: hij bespeurt weinig nervositeit bij zijn faculteit nu de verkiezingen eraan komen. “Bij studenten én medewerkers. Mocht de overheid besluiten dat Nederlands in alle opleidingen een rol moet krijgen, dan hebben onze docenten dat zo omgegooid. Buitenlandse studenten hebben dan wel een probleem.” En daarmee de universiteit uiteindelijk ook, want die zal de instroom zien dalen.

Terugkomend op de voertaal in vergaderingen: masterstudent Super, faculteitsraadslid bij de FSE, vindt dat iedereen moet kunnen deelnemen aan vergaderingen. Dus met Engels als voertaal, want dat is de taal die alle stafleden en studenten beheersen. Wat de kwestie in de raad van de FHML betreft (zie kader) waar men Nederlands spreekt hoewel een van de studentleden de taal niet machtig is: “Zij wordt buitengesloten. Dat kan niet, het gaat hier om een democratisch orgaan in een universiteit met heel veel buitenlandse studenten.” Houben, voorzitter dan die raad, spreekt van een “ongelukkige samenloop van omstandigheden” waarvoor de raad “voor nu” een zo goed mogelijke oplossing heeft gezocht (zie kader onderin).
 

"Als je na vier jaar niet weet wat bitterballen en stroopwafels zijn, dan is er iets mis"

De UM verplicht buitenlandse staf om Nederlands te leren op minimaal niveau B1. Moatsos (SBE) was niet bekend met die taalclausule tot hij het contract las. “Het is me tijdens het wervingstraject niet verteld. Ik voel de noodzaak niet, en ik heb er ook geen tijd voor. Maar goed, als het moet, dan moet het.”

“Het is deel van je commitment”, vindt Odekerken-Schröder. “Zelfs als je hier maar vier jaar blijft, is het prettig als je je in de bus, bij de yoga of in een winkel verstaanbaar kunt maken. Als je na vier jaar niet weet wat bitterballen, Sinterklaas en stroopwafels zijn, dan is er iets mis. Je leert bij ons gratis en voor niets een nieuwe taal. Dat is een vorm van goed werkgeverschap.”

Daar is Houben het helemaal mee eens. “Als je in een land gaat wonen, wil je toch meedoen? Je wilt toch integreren? Bovendien is de kans groter dat je blijft als je de taal kent.”

Maar het taalbeleid mag strenger worden gehandhaafd, vindt Claessen: “De UM heeft elke prikkel weggenomen. Al doet de vaste staf uit het buitenland wel zijn best om het Nederlands te begrijpen, uitzonderingen daargelaten. Ik wil niet het verwijt krijgen dat ik mensen buitensluit, dat doe ik niet. Maar als de UM tweetalig wil zijn, dan moet het in de praktijk ook zo uitpakken.”

Janosch Prinz is sinds 2019 in dienst van de UM en spreekt inmiddels vloeiend Nederlands. “Toen ik mijn contract tekende stond er dat ik binnen drie jaar Nederlands moest leren op B1 niveau. Ik heb er vervolgens niets meer van gehoord, tot twee weken geleden. Toen kreeg ik een e-mail dat FASoS er nu werk van gaat maken. We krijgen nog twee jaar om de taal te leren.” Hij had die regel in zijn contract niet nodig: “Ik wil inburgeren, de cultuur leren kennen en dan is de taal een kernvoorwaarde. Als Duitser heb ik het relatief makkelijk. Ik heb tijdens corona veel aan zelfstudie gedaan, samen met mijn Amerikaanse vrouw die ook aan de UM werkt. Daarna heb ik het in de praktijk gebracht. Of het een goede regeling is? B1 niveau is niet voldoende voor onderwijs en onderzoek. Wel voor een borrel, de school en de supermarkt. Ik zou graag nog beter Nederlands willen leren zodat ik er les in kan geven. Geen enkele taal is immers neutraal, het brengt een eigen kijk op de wereld en dus ook de wetenschap met zich mee.”

Wendy Degens, Riki Janssen
 

De redactie van Observant interviewde in totaal negen stafleden en studenten over hun (mogelijke) zorgen in aanloop naar de verkiezingen op 22 november. Zorgen, omdat er veel kan veranderen als partijen die zeer kritisch zijn over de verengelsing van het hoger onderwijs in de regering komen. Wat opviel was dat nogal wat buitenlandse medewerkers niet of afwijzend reageerden op ons verzoek om hierover geïnterviewd te worden. We weten eerlijk gezegd niet waarom. Ook studenten stonden niet in de rij: meer dan eens vingen we bot. Soms omdat ze weinig over het onderwerp weten, soms hoorden we alleen ‘No comments’.

In universiteitsraadvergaderingen van het vorige academisch jaar kwam herhaaldelijk aan de orde dat buitenlandse stafleden zich niet meer thuis zouden voelen door het Haagse gemor over internationalisering. Ondanks verschillende pogingen vonden we geen buitenlandse UM-medewerkers die zich hier niet meer thuisvoelen.

Engels of Nederlands in de faculteitsraad?

Een Tsjechische studente is dit academisch jaar lid geworden van de faculteitsraad van Health, Medicine and Life sciences. De voertaal is daar al sinds jaar en dag Nederlands. Ook een groot deel van de documenten worden in het Nederlands aangeleverd. Maar de studente spreekt, leest en verstaat de taal niet. Wat nu?

Haar partijgenoten (NovUM) roerden het thema de afgelopen maanden al twee keer aan in de universiteitsraad. “Is het niet te gek voor woorden dat je wordt verkozen door studenten en dat je vervolgens je taak niet kunt uitvoeren omdat je de taal niet verstaat? Ik neem toch aan dat iedereen in die zaal Engels spreekt?”, vroeg studentlid Andrew Scrivener in september aan Nick Bos, vicevoorzitter van het college van bestuur. Bos benadrukte dat de UM tweetalig is en dat een raad de voertaal zelf mag bepalen. “Tegelijkertijd moet iedereen het wel kunnen begrijpen.” Studenten die het Nederlands niet onder de knie hebben, zouden volgens Bos “alle steun moeten krijgen”. Bijvoorbeeld: een Engelse samenvatting van belangrijke documenten. Maar hij raadt studenten ook aan om Nederlands te leren.

De studente van de FHML-raad, Olga Kosjakova, kaartte haar probleem aan bij de (vice-)voorzitter van de faculteitsraad, Iwan de Jong en Boy Houben. Die laatste: “Het is een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De studente wist blijkbaar niet dat wij standaard in het Nederlands vergaderen. We hebben het er als raad over gehad en diverse raadsleden vinden een discussie in het Engels wat anders dan in de moedertaal. Zeker als het over ingewikkelde onderwerpen als de begroting gaat, zaken die niet je eigen expertise zijn. Hun mening: liever niet.” Uiteindelijk is besloten dat Nederlands de voertaal blijft en dat Kosjakova haar vragen in het Engels mag stellen. Haar collega van dezelfde studentenpartij kan haar bijpraten over de discussies en documenten. Want ook die blijven in het Nederlands. Houben: “We hebben er enorm veel, die moeten vertaald worden en daar kan –we hebben dat gevraagd –  het faculteitsbestuur nu niet aan beginnen in verband met openstaande vacatures bij de communicatieafdeling.” Ze kan veel documenten door een vertaalprogramma halen, oppert Houben, “maar bij een begroting van meer dan honderd pagina’s is dat een ander verhaal”.
Kosjakova begrijpt dat een vergadering in het Nederlands het fijnste is voor de meeste leden (want Nederlanders), “maar in een academisch-professionele setting zou je volgens mij een taal moeten hanteren die iedereen begrijpt. Ik ben studentenvertegenwoordiger en wil graag alles volgen. Ik versta geen Nederlands, ik kan geen vier uur lange vergadering volgen. Ik had graag gezien dat een aantal stukken in het Engels vertaald wordt en de spontane discussie deels in het Engels zou zijn.” Houben: “Dat gebeurt nu ook als zij een vraag stelt.”

Wat betaalt de belastingbetaler?

Hij lijkt zich eraan te ergeren, het vooroordeel dat de belastingbetaler betaalt voor de studie van buitenlandse studenten. Thomas Cleij, decaan FSE: “Wie dat gelooft moet zich afvragen wie je dan betaalt. Je betaalt míjn salaris en dat van mijn collega’s, de mensen die lesgeven, schoonmaken, onderzoek doen, et cetera. Wat men vergeet is dat studenten economisch veel meer opleveren dan ze kosten door bijvoorbeeld de studiebeurzen. Ze leven hier, gaan uit, kopen kleding, eten een hapje, noem maar op. Bovendien blijven er best veel studenten hangen, zeker als ik naar mijn eigen bèta-hoek kijk. Als je als universiteit studenten kunt ‘afleveren’, zorg je er bovendien voor dat internationale bedrijven, zoals Medtronic en ASML, niet vertrekken uit Nederland. Eigenlijk is het luxe, een supergoeie deal: die jongeren zijn 18 jaar ergens anders opgeleid, dan doen wij dat ook nog een paar jaar en vervolgens blijven ze hier. Als je hier heel zakelijk, feitelijk naar kijkt, dus niet met emotie en meningen, dan kun je niet tegen internationalisering zijn.”

Zijn collega Frank Huisman van de faculteit Arts and Social Sciences ziet dat van die belastingbetaler toch een tikje anders. Hij vindt wel dat de Nederlandse belastingbetaler “opdraait voor de studie van de buitenlandse arts. Europa wil dit verkeer van personen, Europa wil studentenuitwisseling. Laat de EU dat dan ook financieren.”

De politieke partijen

Wat vinden de politieke partijen die op dit moment in de peilingen bovenaan staan van de instroom van buitenlandse studenten en/of de taal in het hoger onderwijs? Observant dook in hun verkiezingsprogramma’s.

VVD

De Volkspartij voor Vrijheid en Democratie vindt de huidige instroom van “studiemigranten” ongericht en te hoog. Ze willen meer grip op wie in Nederland komt studeren. “Instellingen moeten daarom een numerus fixus kunnen opleggen op het aantal internationale studenten.” Bij het inperken van de internationale instroom wordt volgens de partij wel rekening gehouden met regionale omstandigheden. Bacheloronderwijs moet Nederlandstalig zijn, vindt de VVD, tenzij Engelstalig onderwijs nodig is voor de arbeidsmarkt, vakgebied of samenleving.

Nieuw Sociaal Contract

NSC wil een rem op het aantal internationale studenten. De instroom moet onder andere worden gerelateerd aan de hoeveelheid woningen en opleidingsplaatsen in studentensteden. “Hierbij kan worden gedifferentieerd naar regio en naar sector.” Ook willen ze de Nederlandse taal invoeren als standaardtaal op universiteiten. Verder wil de partij een wachttijd voor het recht op een studiebeurs voor EU-studenten. Daarbij moeten de regels in de EU zo worden aangepast dat ze pas bij veel meer werkuren per maand (nu minstens 32 uur) in aanmerking komen voor een Nederlandse beurs.

GroenLinks-PvdA

Van deze linkse partij moet de huidige bekostigingssystematiek op de schop, zodat instellingen een hoger vast bedrag krijgen en de financiering op basis van studentenaantallen wordt verlaagd. Een aanscherping van de WHW (Wet op Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek) zorgt er volgens de partij voor dat de keuze voor Engelstalige opleidingen beter onderbouwd wordt. “Van de minister verwachten we strenger toezicht.”

BBB

De BoerBurgerBeweging wil de toestroom van studenten uit het buitenland beperken. Hoe? Door het verdienmodel van universiteiten en hogescholen aan te passen. Maar buitenlandse studenten die “een meerwaarde” hebben voor de Nederlandse economie zijn welkom áls er voldoende kamers zijn, staat er in het programma.

PVV

De Partij voor de Vrijheid wil minder buitenlandse studenten. “De studiemigratie leggen we aan banden door bacheloropleidingen alleen nog in het Nederlands te geven en het aantal buitenlandse studenten op masteropleidingen te maximeren.”

Auteur: Redactie

Foto: Joey Roberts

Tags: verkiezingen,omtzigt,nsc,internationalisering,taalbeleid,voertaal,verengelsing,vvd,groenlinks,pvda,bbb,pvv,uitzonderingspositie,grensregio,euregio

Reacties

Thomas Ziesemer

Ik had in dertig jaar altijd uitwisselingsstudenten. Daarom heeft de UM daar Engels als taal aangegeven. Hadden we dan buiten de EU programma's moeten blijven of de EU en NL studenten apart moeten zetten?
90% van alle studenten komen normaal van een omstreek van 100km afstand. Als je dan alleen NL studenten wilt hebben kunnen we in Maastricht geen UM hebben. Met minder dan 7000 studenten kon toen de minister zo' n uni sluiten. Daarom werd aan SBE toen gevraagd IB op te richten. Bestaanszekerheid vraagt dan met de EU mee te doen.

Zonder UM moet Maastricht andere subsidies hebben.
1000 studenten minder zijn ok 20% minder banen aan de UM.
Als 10000 studenten elk 500 Euro na Maaastricht brengen , 10 maanden per jaar, dan zijn dat 50 mio per jaar voor Maastricht.

Deze omgevingsfaktoren hebben altijd een rol gespeeld na de sluiting van de mijnen en nu ook de ENCI. Het gaat dus om een beetje meer dan wat subjectivismen van de wetenschappers en de taalvoorkeuren van politici en zonder buitenlandse studenten is de UM niet levensvatbaar.

Ron van Meer


Behalve Volt en D'66 kunnen vrijwel alle politieke partijen (van rechts tot links) zich vinden in het wetsvoorstel van Dijkgraaf ("Internationalisering in balans"). Veel partijen (waaronder NSC, VVD, BBB, CDA, SP en PVV) vinden zelfs dat de maatregelen rondom internationalisering en de verengelsing van het hoger onderwijs wat strenger zouden mogen zijn dan het wetsvoorstel beoogt. Deze partijen pleiten voor het Nederlands als onderwijstaal in (vrijwel) alle bacheloropleidingen (maar bieden wel nog mogelijkheid voor anderstalige masteropleidingen en uitwisselingsprogramma's) en de PVV wil zelfs dat het gehele hoger onderwijs Nederlandstalig is.

Dat laatste standpunt (van de PVV) vind ik extreem; het houdt geen rekening met de mooie, wenselijke en noodzakelijke kanten van internationalisering. Ook het generiek verplicht stellen van het Nederlands voor al het bacheleronderwijs (zoals bijvoorbeeld NSC bepleit) gaat mij wat ver. Nee, dan voel ik meer voor het wetsvoorstel van Dijkgraaf. Dat voorstel houdt rekening met de context van opleidingen, maar neemt tegelijkertijd het Nederlands als onderwijstaal serieus.

Dijkgraafs wetsvoorstel legt geen enkele beperking op aan anderstalig (in de praktijk meestal Engelstalig) onderwijs in masteropleidingen, maar gaat voor het bacheloronderwijs in beginsel wel uit van het Nederlands als onderwijstaal. Met nadruk op "in beginsel", want anderstalige bacheloropleidingen blijven in dit voorstel nog steeds mogelijk mits de onderwijsinstelling zich kan beroepen op minimaal twee van vijf in de wet opgesomde uitzonderingsgronden (die in samenhang met de andere uitzonderingsgronden worden beoordeeld). Het gaat dan onder meer om "arbeidstekorten in de sector waarvoor wordt opgeleid" of "het inherent internationale karakter van de opleiding".

De Tweede en Eerste Kamer zullen zeer waarschijnlijk met het wetsvoorstel (in de huidige of een aangescherpte vorm) instemmen, zeker gezien het politieke landschap dat na deze verkiezingen in het vooruitzicht ligt. Bij invoering van de wet is het de bedoeling dat het ministerie alle Engelstalige bacheloropleidingen langsloopt met de uitzonderingsgronden als "checklist"(Dijkgraaf noemt het een "vlootschouw").

Opleidingsbesturen aan de verschillende faculteiten van de UM kunnen dus al op basis van het lijstje met uitzonderingsgronden inspelen op de mogelijke consequenties van deze "vlootschouw". Met het lijstje bij de hand is het Engels als onderwijstaal voor bijvoorbeeld bacheloropleidingen als "International Busniness", "Biomedical Sciences", "Global Studies", "European Law" en "Computer Science" zonder moeite te onderbouwen, maar bij bacheloropleidingen als "Arts and Culture", "Digital Society" of "Psychologie" ligt dit minder voor de hand.

Hoe belangrijk ook, het debat over internationalisering en verengelsing zou, wat mij betreft, niet (alleen) over checklijstjes en wetsmaatregelen moeten gaan. En helaas is dat wel het geval. Hoe vaak wordt niet de vraag gesteld "of opleidingen voor uitzondering in aanmerking zullen komen" -- het zogenaamd (strategisch) "mikken op uitzonderingen". Of er wordt op gewezen dat "de UM en de regio internationale studenten nodig hebben (en ook kunnen ontvangen)". Zo'n insteek van het debat vind ik nogal nauw en functioneel. Waar blijft een meer inhoudelijke en algemene positie-bepaling van de UM ten aanzien van internationalisering van het onderwijs?

Dat de UM enthousiast is over internationalisering, is meer dan duidelijk. Er wordt geen ogenblik onbenut gelaten om te benadrukken dat de UM "de meest internationale universiteit van Nederland" is, de "international class" een zegen is voor het onderwijs en de regio tot economische en culturele bloei is gekomen door de komst van internationale studenten.

Ik zeg niet dat het enthousiame van de UM over de internationalisering onterecht is. Integendeel; de internationalisering van het onderwijs is, inderdaad, een verrijking voor zowel studenten, medewerkers als voor de regio. Het draagt bij aan begrip, uitwisseling, interculturele competenties en aan een nieuwe dynamiek in de (regionale) samenleving en economie. Maar hoe kijkt de UM naast de onbetwiste meerwaarde van de internationalisering naar de negatieve (of meer omstreden) maatschappelijke en culturele neveneffecten van de internationalisering die er ook.zijn voor de regio en voor de nederlandse samenleving in het algemeen?

Hoe denkt de UM bijvoorbeeld over:

--- het feit dat er zoveel belastinggeld wordt uitgegeven aan opleiding van internationale bachelor-studenten waarvan slechts een klein deel in Nederland blijft werken, terwijl, omgekeerd, een veel kleiner percentage Nederlandse studenten in het buitenland gaat studeren. Andersgezegd; is dit wel een effectieve besteding van publieke middelen die gereserveerd zijn voor het onderwijs?

--- het beperkt doorstromen van kennis en inzichten van het universitair onderwijs naar andere onderwijssectoren (basis-, voortgezetonderwijsmbo en hbo) wanneer het onderwijs alleen nog door internationale studenten wordt gevolgd;

--- het dalend niveau van Nederlandse uitdrukkingsvaardigheden onder studenten, een tendens die niet wordt gekeerd wanneer Nederlandse studenten alleen nog Engelstalig onderwijs volgen en een tendens die alleen nog sterker zal worden (20% van de VWO'ers slaagt niet voor het examen Nederlands en 25% van de 15-jarigen is inmiddels functioneel analfabeet, zie PISA-scores);

--- de drempel die studenten met lagere sociaal-economische achtergronden ervaren om zich aan te melden bij universitaire opleidingen die het Engels als onderwijstaal hanteren;

--- het verlies van het Nederlands als taal voor cultuur, wetenschap, debat en analyse die voor een belangrijk deel samenhangt met het feit dat het Nederlands als serieuze onderwijstaal (en als taal die geoefend en gewaardeerd wordt) aan veel universiteiten vrijwel is verdwenen en in ieder geval in de marge is gedrukt.

Hoe zet de UM zich binnen een samenwerkingsverband als de "Universiteiten van Nederland" (UNL) in om bovenstaade negatieve neveneffecten (van een te ver doorgeschoten internationaliseting en verengelsing) te voorkomen en beter in balans te brengen met de meerwaarde van internationalisering? Ik.zou het graag willen weten, maar hierover lees of hoor ik niets!

De loftrompet die de UM steekt over internationalisering is een prima PR-verhaal dat niet onder doet voor een marketingcampagne van een groot bedrijf. Begrijp me goed, ik heb niets tegen PR- of marketingcampagnes. Maar van een universiteit mag ook iets anders worden verwacht. De UM zou ook vanuit publieke waarden en het algemeen belang bij moeten dragen aan een evenwichtige visievorming op de maatschappelijke dimensie van de internationalisering van het onderwijs. En wel op zo'n manier dat het studenten en medewerkers hierbij aanzet tot reflectie.

Voeg reactie toe

Klik hier voor onze privacyregels

Vanaf januari 2022 plaatst Observant alleen nog reacties van mensen wier naam bekend is bij de redactie.