“O, zijn er binnenkort verkiezingen? Dat wist ik niet. Ik werk half in Maastricht, half in Londen en woon in Duitsland, net over de grens bij Nijmegen. Ik ben Grieks en volg vooral het nieuws in mijn vaderland. Ik ben bang dat ik me niet heb gerealiseerd dat we hier mogelijk een probleem hebben.” Michalis Moatsos, nog niet zo lang universitair docent International Economics aan de School of Business and Economics, kijkt opgewekt en herinnert zich dan dat de kritische houding van een aantal politieke partijen (zie kader onderin) ten opzichte van de in hun ogen uit de hand gelopen verengelsing van het onderwijs en de te grote instroom van buitenlandse studenten, wel eens aan de orde is gekomen tijdens vergaderingen. “Ik hoor dan steeds dat de Universiteit Maastricht een uitzonderingspositie zal krijgen en dat klinkt mij als muziek in de oren. Ik ga me er geen zorgen over maken, ik heb er toch geen invloed op.”
"Omtzigt snapt denk ik niet wat er gebeurt in Schools als de SBE"
In het SBE-gebouw, een verdieping verder dan Moatsos, klinkt echter verontwaardiging. “Hoe ik tegen de Haagse discussie aankijk? Met verbijstering en ongeloof”, zegt Gaby Odekerken-Schröder, vice-decaan internationalisering van de SBE en lid van de universiteitsbrede Strategic Board Internationalisation. “Wij hebben sinds de jaren tachtig hard gewerkt om een internationale universiteit uit de grond te stampen, het zit in ons DNA, dit is wie we zijn. Dat is heel wat anders dan een Engelstalige opleiding verzorgen. Omtzigt snapt denk ik niet wat er gebeurt in Schools als de SBE, want anders zou hij niet voorstellen om overal Nederlands als voertaal in te stellen. Het is surrealistisch.”
Masterstudent van de faculteit Science and Engineering (FSE), Jan Super, overvalt eenzelfde gevoel: “Mijn master is Engelstalig, logisch, het hele vakgebied van kunstmatige intelligentie is internationaal. Stel je voor dat dit Nederlandstalig zou moeten worden, dat is te gek voor woorden.” Hij hoort tot zijn spijt veel “rechtse” geluiden in Den Haag: “Omtzigt zal het punt van ‘minder buitenlandse studenten’ niet laten vallen als zijn partij de grootste wordt. Met Nederlands als standaardtaal heeft hij een ‘handige’ manier om te hakken in Engelstalige opleidingen en zo buitenlandse studenten ‘tegen te houden’.”
Zijn decaan bij de FSE, Thomas Cleij, vermoedt dat het zo’n vaart niet zal lopen. Nuchter: “Wij nemen als UM een uitzonderingspositie in, vanwege de ligging en de arbeidsmarkt, dat is zo logisch!” Maar wat te doen als er straks toch strenge wetgeving komt? “Wat je hoort is dat instellingen moeten aantonen waaróm hun opleidingen Engelstalig zijn, men zegt niet: ‘Het mag niet’. Kijk naar onze faculteit, de hele arbeidsmarkt is Engelstalig, net als bij bijvoorbeeld Europees recht, International Business en European Public Health. Dan kies je ook voor een internationale doelgroep.”
Bo Schmeitz, derdejaars fiscaal recht – “een Nederlandse studie, met Nederlandse literatuur, onderwijsgroepen en colleges” – sluit zich net als Odekerken-Schröder bij Cleij aan. Schmeitz vindt het niet meer dan logisch dat de UM een uitzondering vormt, zeker gezien de ligging in de euregio. Odekerken-Schröder: “Als er een uitzonderingspositie komt, dan is die voor de UM. Dat zeg ik tegen staf die zich zorgen maakt. We zullen vechten tot het gaatje om dat voor elkaar te krijgen.”
"Meer begrip voor elkaars cultuur"
Voor de meeste SBE-studenten, zo heeft Odekerken-Schröder nagevraagd, is het Haagse gemor niet zo’n groot thema. “Maar als het ter sprake komt, hoor je: waar kan ik me dan straks voorbereiden op een internationale loopbaan? Een studie International Business zonder international classroom is onmogelijk. Dat is als een Pabo zonder kinderen. Als dit straks niet meer kan, gaan we veertig jaar terug in de tijd.”
De international classroom, vult Moatsos aan, bereidt niet alleen voor op een internationale loopbaan, maar kweekt ook meer begrip voor elkaars cultuur. “De recente oorlogen in Oekraïne en Palestina laten zien hoe belangrijk het is dat partijen om de tafel gaan zitten. In onze classrooms dragen we daar op een bijna stille wijze aan bij.”
“Het is aan het doorslaan, het lijkt wel alsof we moeten vechten voor Nederlandstalige vakken"
Is de UM te ver doorgeschoten wat betreft de Engelse voertaal of de hoeveelheid Engelstalige opleidingen? Ja, klinkt het in faculteiten waar men (soms) nog deels in het Nederlands les geeft. Bij rechten bijvoorbeeld. En nee, tegen internationalisering is hij zeker niet, benadrukt Jacques Claessen, bijzonder hoogleraar herstelrecht en coördinator van de Nederlandse track van de master forensica, criminologie en rechtspleging. “Het is een bekrompen gedachte dat je de grenzen sluit voor studenten en wetenschappers.” Maar, vindt hij: “Het is aan het doorslaan, het lijkt wel alsof we moeten vechten voor Nederlandstalige vakken. Steeds vaker wordt gezegd: ‘Dat keuzevak bieden we alleen nog aan in het Engels’, daar kunnen Nederlandse studenten dan bij aansluiten. Daar moeten we mee stoppen.”
Ook Frank Huisman, emeritus hoogleraar medische geschiedenis en een van de oprichters van Science in Transition, een organisatie die sinds 2013 strijdt voor een andere wetenschap met minder werkdruk en een andere beoordeling van wetenschappers, vindt de situatie in Nederland wel degelijk doorgeschoten. En ja, ook hij, net als Claessen, erkent dat internationalisering een feit is, “en daarvoor kan verengelsing nuttig zijn. Maar je moet per faculteit, per opleiding kijken of het nodig is. Bij mijn eigen faculteit, cultuur- en maatschappijwetenschappen (FASoS), is het Nederlands helemaal verdwenen.”
Om te vervolgen: “Nederland is het beste jongetje van de klas, we gaan in Europa op kop als het gaat om Engelstalige curricula. Kijk naar het rapport Language matters van de Belgische KNAW, de Nederlandse situatie is een angstbeeld voor de Vlamingen. Nederlands als academische taal staat op een waakvlam, het aantal buitenlandse studenten rijst de pan uit, er is een kamertekort en de student-staf ratio is uit evenwicht. Ooit wilde men hier Harvard of Oxford aan de Maas worden. Maar Harvard heeft meer geld dan alle Nederlandse universiteiten samen. In Oxford heb je één docent op drie studenten, hier één op dertig. Met dat geld kopen ze kwaliteit en behalen ze hoge scores op ranglijsten als de Shanghai Ranking. Hier staat de kwaliteit van het onderwijs onder druk juist door de groeiende studentenaantallen. Gevolg: de werkdruk is enorm, docenten vallen uit, en er worden makkelijker genadezesjes gegeven.”
Bij de SBE klinkt een heel ander geluid. Nee, we zijn niet doorgeschoten, verklaart Odekerken-Schröder stellig. “En ik preek hier niet alleen voor eigen parochie. Bij de SBE zijn we omstreeks 1988 begonnen met International Management, de eerste Engelstalige opleiding, en dat hebben we verder uitgebouwd. Wij zijn nog steeds een tweetalige universiteit, kijk alleen al naar Nederlands recht of geneeskunde.”
"De trend is al jaren: dezelfde zak met geld en een toename van studenten"
Wat dit verhaal zo lastig en complex maakt, is het financieringssysteem, analyseert Huisman. Studentenaantallen, maar ook het aantal promoties, zijn cruciaal voor de hoogte van de overheidssubsidie. “De universiteit die de meeste studenten binnenhaalt, krijgt de grootste hap uit de koek. Dat is een perverse prikkel. De trend is al jaren: dezelfde zak met geld en een toename van studenten.”
Janosch Prinz, universitair docent politieke en sociale filosofie bij FASoS, wijst eveneens op de kwalijke invloed van het financieringsstelsel. “De universiteiten strijden om dezelfde pot met geld, als de een harder groeit is dat pech voor de ander. Ze werken samen in UNL-verband, de vroegere VSNU. Hoe gezamenlijk is dat? Waarom is daar nooit tegen de overheid gezegd: wij weigeren om nog verder te groeien. Als je de handen ineen slaat, kun je de druk wegnemen.”
De jacht om zoveel mogelijk buitenlandse studenten binnen te halen omdat ze een cash cow zouden zijn? Odekerken-Schröder herkent dat beeld helemaal niet. Heel beslist: “Wij hebben een numerus fixus voor International Business van 750 eerstejaars. Zouden we dat loslaten dan krijgen we vier keer zoveel studenten binnen. Wij werven voor de international classroom, het gaat ons om de kwaliteit.”
Dit financieringssysteem kent alleen maar verliezers, vindt Huisman. Wat goed zou zijn: hetzelfde bedrag aan subsidie per universiteit en minder studenten. “Dus ja, ik ben voor een kleinere universiteit én selectie aan de poort want niet iedere student die nu bij ons studeert is hiervoor geschikt.”
“Ik voel de sociale druk om Engels te praten"
“Officieel is de UM tweetalig, maar eigenlijk is het vooral Engelstalig. Dat merk je aan het aantal Engelstalige opleidingen, aan de staf die steeds internationaler wordt, je merkt het aan de voertaal tijdens vergaderingen”, meent jurist Claessen. “Als je vindt dat de verengelsing ‘doorslaat’, word je al gauw in het hokje van de conservatieveling geplaatst. Maar ik denk dat mensen zich het beste kunnen uitdrukken in hun moedertaal, dat merk ik zelf ook. Als ik genuanceerd wil zijn, spreek ik het liefste Nederlands, maar tijdens vergaderingen spreekt vrijwel iedereen Engels zonder zich af te vragen of het echt nodig is. Regelmatig vraag ik me dan af: waarom dit automatisme?”
Ook Schmeitz, die een Nederlandstalige rechtenstudie volgt, in een “Nederlandse bubbel” leeft, en als studentlid tijdens faculteitsraadsvergaderingen overschakelt op het Engels – hij voelt de “sociale druk” om dat te doen - vindt het soms lastig als “ik heel genuanceerd wil zijn. Dat lukt gewoon beter in mijn moedertaal.”
Ook in onderwijsgroepen speelt dat probleem, hoort Boy Houben, universitair hoofddocent interne geneeskunde en voorzitter van de faculteitsraad Health, Medicine and Life Sciences. “Dat geldt voor zowel studenten als docenten. Je krijgt minder diepgang. Mensen zoeken naar woorden, de discussie is oppervlakkiger. Een college geven is anders, dat bereid je voor, het gaat over je eigen vakgebied, onze vakliteratuur is allemaal in het Engels.” Overigens: hij bespeurt weinig nervositeit bij zijn faculteit nu de verkiezingen eraan komen. “Bij studenten én medewerkers. Mocht de overheid besluiten dat Nederlands in alle opleidingen een rol moet krijgen, dan hebben onze docenten dat zo omgegooid. Buitenlandse studenten hebben dan wel een probleem.” En daarmee de universiteit uiteindelijk ook, want die zal de instroom zien dalen.
Terugkomend op de voertaal in vergaderingen: masterstudent Super, faculteitsraadslid bij de FSE, vindt dat iedereen moet kunnen deelnemen aan vergaderingen. Dus met Engels als voertaal, want dat is de taal die alle stafleden en studenten beheersen. Wat de kwestie in de raad van de FHML betreft (zie kader) waar men Nederlands spreekt hoewel een van de studentleden de taal niet machtig is: “Zij wordt buitengesloten. Dat kan niet, het gaat hier om een democratisch orgaan in een universiteit met heel veel buitenlandse studenten.” Houben, voorzitter dan die raad, spreekt van een “ongelukkige samenloop van omstandigheden” waarvoor de raad “voor nu” een zo goed mogelijke oplossing heeft gezocht (zie kader onderin).
"Als je na vier jaar niet weet wat bitterballen en stroopwafels zijn, dan is er iets mis"
De UM verplicht buitenlandse staf om Nederlands te leren op minimaal niveau B1. Moatsos (SBE) was niet bekend met die taalclausule tot hij het contract las. “Het is me tijdens het wervingstraject niet verteld. Ik voel de noodzaak niet, en ik heb er ook geen tijd voor. Maar goed, als het moet, dan moet het.”
“Het is deel van je commitment”, vindt Odekerken-Schröder. “Zelfs als je hier maar vier jaar blijft, is het prettig als je je in de bus, bij de yoga of in een winkel verstaanbaar kunt maken. Als je na vier jaar niet weet wat bitterballen, Sinterklaas en stroopwafels zijn, dan is er iets mis. Je leert bij ons gratis en voor niets een nieuwe taal. Dat is een vorm van goed werkgeverschap.”
Daar is Houben het helemaal mee eens. “Als je in een land gaat wonen, wil je toch meedoen? Je wilt toch integreren? Bovendien is de kans groter dat je blijft als je de taal kent.”
Maar het taalbeleid mag strenger worden gehandhaafd, vindt Claessen: “De UM heeft elke prikkel weggenomen. Al doet de vaste staf uit het buitenland wel zijn best om het Nederlands te begrijpen, uitzonderingen daargelaten. Ik wil niet het verwijt krijgen dat ik mensen buitensluit, dat doe ik niet. Maar als de UM tweetalig wil zijn, dan moet het in de praktijk ook zo uitpakken.”
Janosch Prinz is sinds 2019 in dienst van de UM en spreekt inmiddels vloeiend Nederlands. “Toen ik mijn contract tekende stond er dat ik binnen drie jaar Nederlands moest leren op B1 niveau. Ik heb er vervolgens niets meer van gehoord, tot twee weken geleden. Toen kreeg ik een e-mail dat FASoS er nu werk van gaat maken. We krijgen nog twee jaar om de taal te leren.” Hij had die regel in zijn contract niet nodig: “Ik wil inburgeren, de cultuur leren kennen en dan is de taal een kernvoorwaarde. Als Duitser heb ik het relatief makkelijk. Ik heb tijdens corona veel aan zelfstudie gedaan, samen met mijn Amerikaanse vrouw die ook aan de UM werkt. Daarna heb ik het in de praktijk gebracht. Of het een goede regeling is? B1 niveau is niet voldoende voor onderwijs en onderzoek. Wel voor een borrel, de school en de supermarkt. Ik zou graag nog beter Nederlands willen leren zodat ik er les in kan geven. Geen enkele taal is immers neutraal, het brengt een eigen kijk op de wereld en dus ook de wetenschap met zich mee.”
Wendy Degens, Riki Janssen
De redactie van Observant interviewde in totaal negen stafleden en studenten over hun (mogelijke) zorgen in aanloop naar de verkiezingen op 22 november. Zorgen, omdat er veel kan veranderen als partijen die zeer kritisch zijn over de verengelsing van het hoger onderwijs in de regering komen. Wat opviel was dat nogal wat buitenlandse medewerkers niet of afwijzend reageerden op ons verzoek om hierover geïnterviewd te worden. We weten eerlijk gezegd niet waarom. Ook studenten stonden niet in de rij: meer dan eens vingen we bot. Soms omdat ze weinig over het onderwerp weten, soms hoorden we alleen ‘No comments’.
In universiteitsraadvergaderingen van het vorige academisch jaar kwam herhaaldelijk aan de orde dat buitenlandse stafleden zich niet meer thuis zouden voelen door het Haagse gemor over internationalisering. Ondanks verschillende pogingen vonden we geen buitenlandse UM-medewerkers die zich hier niet meer thuisvoelen.