Sadie Kinnersley (21 jaar) is één van hen. Maar deze ‘moot court’ is niet haar eerste keer. Tijdens de bachelor European Law School heeft de Amerikaanse al eens meegedaan aan een pleitwedstrijd op het gebied van mensenrechten, in het gebouw van het Europees Hof in Straatsburg. En met succes, haar team won en mag daar een maand stagelopen. Dat smaakte naar meer, en dus doet de (inmiddels) masterstudente Globilisation and Law dit jaar mee aan de Philip C. Jessup International Moot Court Competition. “Het is een vakgebied waar ik me normaal nooit in begeef. Dat maakt het juist interessant.”
Deze keer zit ze aan de andere kant van de tafel, als ‘verdediger’ (of ‘respondent’, de voertaal van de wedstrijd is Engels, red.). Als tweekoppig team nemen ze het op tegen de ‘aanklager’ (‘applicant’), die nu bestaat uit twee medestudenten. Een stapel papierwerk aan voorbereiding ligt bij beide partijen klaar. Maar erop spieken gebeurt bijna niet. Kinnersley: “We leren alles uit ons hoofd. Dat doet het echte Hof niet eens, maar zo kunnen ze onze pleitvaardigheden het beste testen. Bovendien stellen ze allerlei vragen, ook buiten de casus, dus we moeten goed voorbereid zijn.” Tegenover de studenten zitten drie stafleden van de rechtenfaculteit, het denkbeeldige ‘Internationale Gerechtshof’ die tijdens de 45-minuten durende pleidooien vragen afvuren op de studenten. Die hebben overigens vrijwel altijd een antwoord paraat. En weten ze het even niet? Dan wordt er soms ook een beetje gebluft. “Zolang je het maar met zelfvertrouwen doet”, zegt ze.
Het echte Internationale Gerechtshof behandelt geschillen tussen landen, maar tijdens ‘de Jessup’ gaat het om een fictief geschil tussen fictieve landen. “De namen beginnen altijd met een A en R, van applicant en respondent. Dit jaar is de aanklager de republiek van Antrano en de verdediging het koninkrijk van Remisia” legt Kinnersley uit. Dat klinkt kinderachtiger dan het is. Het gaat om ingewikkelde juridische problemen: de casus omvat een kleine twintig bladzijden. Kernbegrippen daarin: staatloosheid, consulaire bescherming en de bindende kracht van besluiten van de VN Veiligheidsraad.
Nu staan de vier studenten uit Maastricht tegenover elkaar, maar in de competitie zelf is de tegenpartij van een andere universiteit. Tijdens de nationale ronde in Amsterdam waren dat Nederlandse universiteiten, nu krijgen ze internationale tegenstanders.
Met deelnemers van meer dan zevenhonderd universiteiten is deze pleitwedstrijd de grootste wereldwijd. Nog een reden voor Kinnersley om mee te doen. Ze wil namelijk in de toekomst in het buitenland aan de slag, het liefst als mensenrechtenadvocaat. Nu mag ze nog even oefenen, vooral met langzamer praten. Want ook al is haar enthousiasme aanstekelijk, het moet wel te volgen blijven, kreeg ze achteraf te horen. Zijn dat dan de zenuwen? “Nu niet, in Amsterdam was ik wel zenuwachtig, maar ook vastbesloten om te winnen.” Eind maart vliegen de studenten samen met hun twee coaches naar Washington voor de wedstrijd. Op 6 april weten ze of ze ook die gewonnen hebben.