“Pak ‘m beet zo’n 70 vierkante meter denk ik?" Peter Alblas van het Centrum voor Natuur- en Milieueducatie (CNME) knijpt zijn ogen even dicht tegen de felle ochtendzon terwijl hij snel uitrekent hoe groot het stukje land is achter de Oxfordlaan dat zo in trek is bij de insecten en andere diersoorten. “Oorwurmen en rupsen hebben we hier ook, maar dat vinden mensen toch minder leuk dan wilde bijen.”
Het gevleugelde dier heeft het moeilijk in Nederland, maar lijkt in Maastricht goed te gedijen. Bij een recent onderzoek in opdracht van de gemeente werden 148 wilde bijensoorten aangetroffen bij de twaalf hotspots van het CNME die de stad telt: heuveltjes die zijn opgebouwd uit verschillende grondsoorten en ingezaaid met verschillende soorten inheemse bloemen en planten. Met 64 bijensoorten bleek de biodiversiteit in Randwyck bovengemiddeld groot.
“Ik denk dat er hier zo’n vijftig soorten bloemen bloeien”, zegt Alblas, die uitlegt dat ze het allemaal goed doen op de grond die hij nauwkeurig heeft samengesteld – en ook in Maastricht en omgeving is gewonnen. “Denk aan mergel, leem en stol, dat is een mengsel van grind, zand en leem zoals de Maas ooit heeft achtergelaten. Die grondsoorten drogen gemakkelijk uit, zodat je geen last hebt van uitbundige grasgroei. Bijen houden van warmte en nestelen onder de grond, dus de zon moet erbij kunnen.”
De Bijenhotspot achter de Oxfordlaan 55, met kale plekken waar de zon goed bij kan om de grond te verwarmen / foto: Observant
Hoe het er beneden uitziet, blijft gissen, aan de oppervlakte oogt het paradijs voor de bijen nogal rommelig. “Het lijkt een wildernis”, beaamt Alblas, terwijl hij wat plantjes met lange wortels uit de grond trekt, “maar dat is heel bewust. Je kan hier ook niet zomaar alles laten groeien, beheer blijft nodig.”
Betrokkenheid
Daar probeert hij ook studenten en medewerkers van de universiteit wat meer bij te betrekken. Zo hielp het nanoscopie-team van instituut M4I (faculteit Health, Medicine and Life sciences) bij het inzaaien van de eerste bloemen en heeft de faculteit psychologie en neurowetenschap (FPN) plannen om dit najaar een aparte bloemenweide achter de hotspot te maken. De markeringspaaltjes daarvoor staan al in de grond. “Het zou mooi zijn als er ook een bankje komt, waar studenten dan hun kopje koffie komen drinken.”
Het is een beeld dat Rabbe Dormans, adviseur milieu en duurzame bedrijfsvoering van de Universiteit Maastricht ook wel voor zich ziet – om mee te beginnen. “De bijenhotspot is een project van het CNME waaraan voor ons geen kosten zitten. Wij faciliteren alleen. Maar het is wel een mooi haakje om anders te gaan kijken naar de omgeving en nog meer te werken aan verandering.”
Die is al ingezet, sinds 2020 stimuleert de universiteit meer natuur op en rondom de campus. “Dat is gebeurd vanuit de gedachte dat meer biodiversiteit ook goed is voor het welzijn van mensen. Daarom is ook aan studenten en medewerkers gevraagd hoe we onze terreinen aantrekkelijker kunnen maken.”
Buitenterreinen
Bij de Faculty of Arts and Social Sciences (FASoS) verdween al een deel van de betegelde binnenplaats ten gunste van een inheemse tuin en bij de Universiteitssingel 40 kwamen bloembedden en werden hagen geplant. De komende jaren wordt de focus nog meer op biodiversiteit gelegd.
“De Faculty of Science and Engineering heeft bijvoorbeeld vorig jaar de buitenterreinen al gebruikt om veldwerk te doen”, vertelt Dormans. “In de bloemenweide bij Duboisdomein 30 werden kevers gedetermineerd.” Daarnaast zijn studenten van de faculteit bezig geweest met een voorstel om de buitenruimtes sowieso wat vaker te laten gebruiken, ook door andere faculteiten, als alternatief voor de onderwijsruimtes binnen.
Ook wijst Dormans erop dat aan studenten van het Maastricht Sustainability Institute is gevraagd om te onderzoeken hoe de universiteit een groenvisie voor de terreinen kan ontwikkelen. “Er kan nog meer, maar veel is ook afhankelijk van geld, tijd en de werkdruk. Cultuurverandering is een zaak van lange adem.”
Bijenhoofdstad
De bijenhotspot, die in korte tijd een impuls heeft gegeven aan de biodiversiteit in Randwyck, is een positieve opsteker. “En zelfs als deze spot verdwijnt, omdat er in de toekomst bijvoorbeeld wordt bijgebouwd, komen er weer andere plekken die de bijen ontdekken”, zegt Alblas. “Die beestjes zijn slim, het zijn pioniers, die ook denken aan een volgende generatie.”
Die nakomelingen zullen zich voorlopig nog wel in groten getale laten zien in Maastricht, denkt Alblas. “Dit is de bijenhoofdstad van Nederland, met 240 soorten. Waarom? Het is hier warmer, we liggen in het Maasdal, hebben hellingen en de grond is geschikt. Die combinatie maakt deze plek uniek voor de biodiversiteit. Wat we hier hebben gedaan, zou nergens anders in Nederland kunnen.”