Het huishoudboekje van de student: van gratis zolderkamer tot buffelen voor een biertje

Het huishoudboekje van de student: van gratis zolderkamer tot buffelen voor een biertje

Observant zet de financiën van drie generaties op een rij: 1986, 2003, 2024

20-11-2024 · Achtergrond

Studeren. Tot de jaren zestig nog een privilege voor de bovenlaag, tegenwoordig halen grote groepen een bachelor- en mastertitel. Maar waar de een alles bij elkaar moet lenen, heeft de ander fluitend het huishoudboekje op orde. Nee, saai was en is het nooit, in de historie van de studiefinanciering. Observant schetst wat er de afgelopen veertig jaar voor de student op financieel gebied is veranderd. 

Eind oktober 1986

Het is mooi meegenomen, moet de 19-jarige economiestudente Desiree de Roo erkennen. Ze heeft net haar eerste basisbeurs van 293 gulden ontvangen (omgerekend naar nu: zo’n 130 euro) dankzij de Wet Studiefinanciering die eerder deze maand is ingevoerd. Voortaan krijgen zowel thuiswonende als uitwonende studenten een vast geldbedrag en dat komt de studente heel goed uit. “Ik heb net mijn collegegeld (1604 gulden, zo’n 710 euro) betaald en elk dubbeltje dat nu weer binnenkomt, kan ik wel gebruiken.”

Ze is niet de enige die er zo over denkt, al hebben sommigen in haar omgeving fel geprotesteerd tegen de nieuwe regeling. “Zij zeggen dat het niet eerlijk is dat studenten met rijke ouders evenveel krijgen als studenten uit een gezin waar ze het minder breed hebben.” Een paar studiegenoten van De Roo hebben nog naakt geprotesteerd op het Binnenhof, om uit te leggen dat ze zich uitgekleed voelen door minister Deetman van Onderwijs. Kreten als ‘Deetman, je snapt er geen reet van’ duiken veelvuldig op in gesprekken op de universiteit.  

De Roo concentreert zich liever op haar studie die ze binnen vier jaar wil afronden, om eventuele boetes te ontlopen. “In de nieuwe wet staat dat studenten die langer dan zes jaar over hun studie doen, meer collegegeld moeten betalen. Zij krijgen straks een verhoging van 40 procent, dat zie ik niet zitten.”

De studente gaat zorgvuldig om met haar geld. Zo moet ze onder andere rekening houden met een jaarlijks bedrag van 800 gulden (zo’n 356 euro) voor boeken en leermiddelen. “Gelukkig hebben mijn ouders aangeboden om dit jaar mijn zorgverzekering te betalen. Die is 450 gulden (zo’n 200 euro), het scheelt enorm dat ik me daar niet druk om hoef te maken.”

Een andere meevaller is dat De Roo voorlopig nog thuis kan blijven wonen. Ze had graag op kamers gewild, maar ondanks een uitgebreide zoektocht en talloze hospiteeravonden heeft ze geen geschikte woonruimte kunnen vinden. Dat betekent wel dat ze elke dag op en neer moet fietsen naar de universiteit vanuit haar geboortedorp. “Een half uur heen en dan weer terug. Het is te doen, zeker als je bedenkt dat het me niks kost.”

Dat laatste geldt niet voor De Roo’s vriendin. Zij ontvangt een uitwonende beurs van 626 gulden (zo’n 278 euro), waarvan de helft - 330 gulden (zo’n 147 euro) - opgaat aan de huur van een kleine kamer in de binnenstad. “Ze moet de keuken en de badkamer delen met twee anderen. Dan kies ik toch liever voor mijn zolderkamer.”  

Als ze niet studeert, of thuis is, werkt De Roo in het plaatselijke café, waar ze zoveel mogelijk uurtjes probeert bij te springen. Dat levert haar elke maand gemiddeld zo’n 160 gulden op (71 euro). “En vergeet de fooien niet”, voegt ze eraan toe. “Die zijn ook heel welkom.”

Zomer 2003

Nog net op tijd heeft Pieter de Wit een kamer weten te vinden. “Het was een helse zoektocht, maar twee dagen voor de start van het nieuwe studiejaar kon ik verhuizen”, vertelt de 21-jarige student cultuurwetenschappen die bezig is aan zijn tweede jaar. “Mijn broertje heeft minder geluk gehad, hij woont daarom nog thuis en krijgt dus een lagere beurs.” De Wit ontvangt een basisbedrag van 220 euro per maand, zijn broertje moet het doen met zo’n 70 euro.

“Ik heb daarnaast ook nog een lening en aanvullende beurs, mijn ouders verdienen niet zo veel, waardoor ik uiteindelijk op bijna 700 euro per maand uitkom. Ik heb dat ook wel nodig”, denkt De Wit. Hij is niet de enige: uit cijfers van de Informatie Beheer Groep, die de beurzen uitkeert, blijkt dat er vorig jaar - 2002 - voor 478 miljoen euro is geleend. Dat is fors meer dan vijf jaar geleden toen studenten zich voor bijna 249 miljoen euro in de schulden staken.

Een paar maanden geleden stond De Wit met zo’n achtduizend studenten op het Haagse Malieveld, om te demonstreren tegen een verdubbeling van het collegegeld en lagere beurzen. “We hielden het heel beschaafd, met een protestmars langs het Binnenhof en de bezuinigingen zijn mooi van tafel”, glundert De Wit.

Van zijn beurs en aanvullingen betaalt de student onder andere zijn collegegeld (1445 euro), boeken, andere leermiddelen en de huur. Hij woont net buiten het centrum van Maastricht en heeft een ruimte van 21 vierkante meter waarvoor hij 360 euro betaalt. Daarmee zit hij wel boven de gemiddelde huurprijs van 15,70 euro per vierkante meter in de stad, maar nog altijd onder de prijzen die in Amsterdam gangbaar zijn. Daar vragen verhuurders bijna 27 euro per vierkante meter.

Elke zaterdag en twee avonden per week werkt de student bij de Makro, de groothandel voor de horeca. Dat levert hem nog eens 330 euro per maand op. “Ik zou misschien ergens anders meer kunnen verdienen, maar dan is het vaak zwart en op onregelmatige tijden. Het is echt wel aanpoten, van mijn ouders heb ik de tip gekregen om precies op te schrijven wat er binnenkomt en wat er uitgaat.”

Op dat lijstje noteert hij onder andere zijn fitnessabonnement en zijn ziektekostenverzekering, die hem samen ongeveer 50 euro per maand kosten. En de boodschappen? “Die doe ik twee keer in de week, ik pak de normale dingen, zoals brood, wat beleg, fruit, melk, frisdrank. Ik let op, maar koop wel gewoon een biertje.”

De Wit schat dat de tochtjes naar de supermarkt hem zo’n 30 euro lichter maken. Wat hij overhoudt, gaat op aan zijn mobiele telefoonabonnement, avondjes stappen en af en toe nieuwe kleding of schoenen. “Een broek van honderd euro koop ik nu niet meer zo snel.”

September 2024

“De zomer is voorbijgevlogen”, verzucht de 20-jarige rechtenstudente Marieke Witmaker. Ze maakt zich op voor haar derde jaar, met een studiebeurs, een jaar geleden is die opnieuw ingevoerd. “Ik heb nu nog twee jaar recht op een basisbeurs en een aanvulling, voor het restant van mijn studie. En dat is heel prettig”, zegt de studente die bij DUO ook dit jaar nog een collegegeldkrediet en een lening heeft afgesloten.  “Toen ik begon met mijn studie, had je het leenstelsel, dus ik ben wel gewend om wat lenen”, lacht ze. “Maar leuk is anders.”

Alles bij elkaar opgeteld ontvangt Witmaker 1264,49 euro, heeft ze uitgerekend. Ze woont op kamers en krijgt 302,39 euro. Daarbovenop heeft ze een aanvullende beurs van 457,60 euro, omdat haar ouders weinig tot niets kunnen bijdragen. “En dan dus nog die lening en het krediet, waarmee ik mijn collegegeld van 2530 euro betaal. Ook moet ik mijn huur ophoesten, ik woon aan de rand van Maastricht voor 515 euro.” Daarmee zit de derdejaars studente nog onder het landelijk gemiddelde. Haar vriend, die in Amsterdam is neergestreken, legt maandelijks ruim 900 euro neer voor wat Witmaker “een bezemkast” noemt. “Iets anders kan ik er niet van maken, hij heeft echt nauwelijks ruimte.” 

Behalve die twee grote kostenposten, heeft de rechtenstudente nog een hele waslijst aan vaste lasten. “Ik zag een tijdje geleden zo’n berekening langskomen, die klopt aardig.” Witmaker doelt op het huishoudboekje van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting, het Nibud. Daarin staan onder andere wat de uitgaven zijn voor boodschappen (244 euro per maand), studieboeken en leermiddelen (41 euro), een telefoon-, televisie- en internetabonnement (71 euro) en verzekeringen, zoals die voor aansprakelijkheid en zorg. “De premie voor de basisverzekering is inmiddels 134 euro en de aanvullende polis kost nog eens 24 euro. Ik heb zorgtoeslag aangevraagd en daardoor vallen die kosten wel wat lager uit, gelukkig.”

Om af en toe ook nog wat leuke dingen te kunnen doen, werkt Witmaker in de plaatselijke supermarkt. Ze draait 16 uur in de week mee achter de kassa voor een bruto uurloon van 10,94 euro. “Ik zou heus wel meer willen werken, maar nog veel liever ben ik gewoon op tijd klaar met mijn studie, voordat de langstudeerboete eraan komt.”

Daarmee loopt ze vooruit op de plannen van het kabinet dat in 2026 geld wil zien van studenten die meer dan een jaar uitlopen, zij moeten 3000 euro collegegeld extra betalen. Dat ziet Witmaker niet zitten: ze heeft al genoeg financiële ‘uitdagingen’, met een inmiddels opgebouwde studieschuld. En daarin is ze niet de enige. De gemiddelde schuld van alle (oud-) studenten ligt rond de 18 duizend euro, met uitschieters naar vijftigduizend euro en zelfs meer dan een ton, becijferde het Centraal Bureau van de Statistiek onlangs.

“Ik denk daar liever maar niet over na”, zegt Witmaker. “Het is er allemaal niet makkelijker op geworden. Als ik kijk naar wat mijn ouders kregen aan beurs en ik nu, zie ik niet eens zo veel verschil. En voor mijn gevoel was het leven toen echt wel wat goedkoper. Misschien pak ik vanavond wel een filmpje om mijn gedachten te verzetten.” Daarvoor heeft ze nog wel wat budget over, verzekert ze. “Voor zaken als sport, ontspanning en een avondje uit, leg ik elke maand zeker nog wat opzij. Dat blijf ik doen.”

Balanceren

Het Nibud doet sinds 2009 onderzoek naar de financiële positie van studenten. Uit het laatste onderzoek, verschenen in september van dit jaar, blijkt dat studenten er dankzij de herinvoering van de beurs beter voorstaan dan een aantal jaar geleden. “Ze kunnen beter rondkomen”, vertelt woordvoerder Karin Radstaak. “In de tijd van het leenstelsel sprongen ouders veel meer bij waardoor studenten financieel afhankelijker en minder zelfstandig waren. Dat is wat je uiteindelijk ook niet wilt bij jongvolwassenen. Dat is nu wel beter.”

Daarbij moet wel worden opgemerkt dat studenten in het studiejaar 2023/2024 een maandelijkse bijdrage ontvingen van 164,30 euro, ter compensatie van de gestegen prijzen. “Die is met ingang van dit studiejaar weggevallen, het is nog even afwachten wat dat doet met het financiële plaatje.”

Radstaak wijst erop dat het makkelijker is gemaakt om aanvullend te lenen, en in de meeste gevallen blijkt dat ook nodig. “Het is goed dat iedereen de kans krijgt om te studeren en er daarvoor allerlei mogelijkheden zijn, maar feit blijft wel dat je een schuld opbouwt. Aan de andere kant is de overheid een vrij coulante kredietverstrekker, tegen een relatief laag rentepercentage. Bovendien weet je dat het maar voor even is en je uiteindelijk toewerkt naar een mooie baan waarmee je financieel zelfstandig bent. Het is een voortdurende balans tussen plussen en minnen.”

 

Observant nam drie jaartallen (en generaties) onder de loep: 1986 - toen de Wet Studiefinanciering van kracht werd en de basisbeurs z’n intrede deed -, 2003 en 2024. Aan de hand van drie fictieve studenten, is globaal in kaart gebracht met welke kosten én opbrengsten studenten van vroeger en nu gemiddeld te maken hebben. Dit is gedaan aan de hand van archiefmateriaal van Observant, dag- en weekbladen, gegevens van DUO, het CBS en Nibud en openbare bronnen op het internet.  

Hoe het begon....en wat er veranderde

De eerste Nederlandse universiteit opent in 1575 in Leiden haar deuren. Een studie kost in die tijd 200 gulden per jaar. In 1815 introduceert koning Willem I een studiebeurs voor een selectieve groep studenten - vaak uit de arbeiders- en middenklasse - in Leiden, Utrecht en Groningen, waarmee ze ongeveer een derde van hun jaarlijkse studiekosten kunnen betalen. In 1956 wordt de studietoelage geïntroduceerd: een verhoogde kinderbijslag voor ouders van studerende kinderen. De hoogte van het bedrag is afhankelijk van onder andere het inkomen. Kinderen uit minder bedeelde gezinnen kunnen een beurs krijgen. Dertig jaar later is er de Wet Studiefinanciering die voorziet in een maandelijks basisbedrag: zo’n 600 gulden voor uitwonende studenten en bijna 300 gulden voor thuiswonenden, ongeacht het inkomen van de ouders. Wie uit een minder welgesteld gezin komt, kan een aanvulling krijgen van maximaal 380 gulden (zo’n 169 euro). Zo’n 40 procent maakt daar gebruik van. Zowel de basisbeurs als de aanvullende beurs zijn giften.

In 1991 is er de ov-studentenkaart waarmee studenten gratis kunnen reizen. In de jaren erna zijn er meerdere aanpassingen, in 2001 wordt de kaart een lening. In 1993 wordt de tempobeurs geïntroduceerd, de basisbeurs en eventueel aanvullende beurs zijn een voorwaardelijke gift. Wie elk jaar voldoende studiepunten haalt mag het geld houden, anders moet de beurs worden terugbetaald. Om te voorkomen dat mensen hun studie niet afmaken of er meer dan tien jaar over doen, komt de overheid in 1996 met de prestatiebeurs. Het ontvangen geld wordt pas omgezet in een gift als de student op tijd afstudeert. In 2015 wordt de basisbeurs afgeschaft en het leenstelsel ingevoerd, met een maximum van 1034,85 euro per maand – inclusief een krediet voor je collegegeld - en een terugbetaaltermijn van 35 jaar. In 2023 komt de basisbeurs weer terug en wordt de rente op de studieschuld verhoogd naar 0,46 procent. Per 1 januari 2024 is die 2,56 procent. De eisen voor de aanvullende beurs zijn met ingang van dit jaar ook versoepeld: de inkomensgrens van ouders is verhoogd naar 70 duizend euro waardoor meer studenten recht hebben op een aanvulling. Wie in de tijd van het leenstelel mininimaal een jaar heeft gestudeerd, recht had op studiefinanciering en binnen tien jaar een diploma heeft gehaald, heeft recht op een tegemoetkoming. Deze studenten behoren tot de zogenoemde 'pechgeneratie'. Zij krijgen 34,17 euro per maand voor de (officiële) duur van de gevolgde studie.