Maastricht en Heerlen pronken graag met hun Romeinse oorsprong – Mosa Trajectum en Coriovallum waren zo’n tweeduizend jaar geleden belangrijke nederzettingen in het noordelijke deel van het Romeinse Rijk. Minder bekend is echter dat héél Zuid-Limburg een rijk Romeins verleden kent. “Rijk in twee opzichten: qua hoeveelheid archeologische vondsten, maar er leefden ook veel zeer welgestelde Romeinen”, vertelt archeoloog Jasper de Bruin, die bij het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) in Leiden conservator is van de collectie ‘Nederland in de Romeinse tijd’.
In de hoogtijdagen van Romeins Zuid-Limburg was de Maas een verkeersader en doorkruiste ook een belangrijke hoofdweg, later omgedoopt tot de Via Belgica, de regio. Legioenen trokken hierover richting de limes, de buitengrens van het rijk, langs de Rijn. Hier was de Romeinse opmars door Europa gestrand op de felle weerstand van de Germanen aan de oostkant van de rivier. Ter verdediging van de grens stationeerde Rome langs de hele Rijn, van Keulen tot Katwijk, soldaten. Soldaten die voedsel nodig hadden.
De vruchtbare lössbodem van Zuid-Limburg waarop het broodnodige graan weelderig groeide en de gunstige locatie relatief dicht bij het stroomgebied van de Rijn bleken ideaal om in die behoefte te voorzien. Door de grote vraag groeiden vele boerderijen in het gebied uit tot villa rustica’s: enorme landgoederen met akkers, moestuinen, werkplaatsen, stallen en opslaggebouwen. Naast de luxe villa van de rijke eigenaren – vaak voorzien van badhuis en moderne snufjes als vloerverwarming en glazen ramen – waren op het terrein ook woonruimtes voor de (soms tot slaaf gemaakte) landarbeiders en hun gezinnen te vinden.
Schoolmeesters en kapelaans
Opgravingen van Romeinse overblijfselen in Heerlen in 1920. Foto: Thermenmuseum
Vermoedelijk bevonden zich in Zuid-Limburg honderden van zulke villa’s, zegt De Bruin. Toch is er relatief weinig over bekend. “Er zijn er pas zo’n 25 opgegraven. Vaak zonder moderne technieken, waardoor de kennis erover beperkt is.” Verreweg de meeste opgravingen vonden namelijk plaats in de tweede helft van de 19e eeuw en eerste helft van 20e eeuw, toen de interesse in het Romeinse verleden een hoogtepunt bereikte in de regio.
In eerste instantie was het blootleggen van villa’s vooral een hobby van welgestelde figuren als schoolmeesters, kapelaans en huisartsen, die hulp kregen van plaatselijke jongeren. Begin vorige eeuw meldden ook onderzoekers van het RMO zich. Veel is er niet meer te zien van de opgravingen: alles werd weer dichtgegooid, zodat de boeren het land weer konden gebruiken. Wat rest zijn oude omschrijvingen – die, soms ongepubliceerd, in een archiefkast verstoften – terwijl veel opgegraven voorwerpen verdwenen in depots van verschillende musea.
In de tweede helft van de vorige eeuw viel het (vaak kostbare) onderzoek grotendeels stil. Al werd er in 2002 bij de Holzkuil in Kerkrade wel nog een volledige villa blootgelegd. “Maar dat was de laatste uitgebreide opgraving, daarna heeft er vrijwel geen veldwerk meer plaatsgevonden”, zegt De Bruin, die destijds als student meehielp.
De afgelopen jaren kent het onderzoek echter een opleving. Zo brachten het RMO, het Limburgs Museum in Venlo en Het Romeins Museum (voorheen Thermenmuseum) in Heerlen samen met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed duizenden vondsten en oude documentatie voor het eerst samen voor een uitgebreide analyse. Het resultaat: meerdere publicaties en een reizende tentoonstelling (zie naschrift).
Fragment van een wandschildering uit de villa van Maasbracht. Foto: Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Limburg
Unieke vondsten
Luxe voorwerpen die aangetroffen zijn in Romeinse graven rondom Heerlen. Foto: RMO
De Bruin hoopt dat het daar niet bij blijft. “Er valt nog zoveel te ontdekken. Met moderne technieken kun je veel meer kennis opdoen. En er zijn nog honderden ‘verdachte’ plekken waar vermoedelijk ook villa’s liggen.” De vele archeologische vondsten in de grote bruinsteengroeves in Duitsland, niet ver van de grens met Limburg, tonen aan hoe dichtbevolkt deze regio moet zijn geweest. “Er zit hoe dan ook muziek in nieuw onderzoek. Je weet zeker dat je iets gaat vinden, en er zijn nog veel verrassingen mogelijk.”
Uit eerdere opgravingen is immers al duidelijk dat de rijke bewoners hun geld graag lieten rollen. Met bijzondere architectuur, muurschilderingen, beelden en andere kunstwerken toonden de villa-eigenaren hun sociale status. “Er zijn hier unieke objecten gevonden. Bijzonder glaswerk, sieraden met barnsteen, een Egyptisch instrument… Deze mensen konden zich meten met de allerrijksten.”
Het meest in het oog springend zijn misschien wel de askisten: grote en rijkversierde zandstenen kisten waarin belangrijke personen werden begraven. “Die vind je bijna nergens anders in Nederland, maar in Zuid-Limburg zijn er al zeker vijftien gevonden”, zegt De Bruin. “Zoveel dat men het normaal ging vinden en er soms weinig mee deed. De meeste askisten zijn pas recent uitgebreid onderzocht. Ze blijken vaak van vrouwen te zijn geweest. Dat zegt iets over de samenleving van toen: blijkbaar hadden vrouwen veel aanzien. Er zijn aanwijzingen dat zij de villa-eigenaren waren en niet slechts ‘de vrouw van’.” De Bruin verwacht dat bij nieuw onderzoek nog veel meer askisten aan het licht kunnen komen.
Eigen achtertuin
Maar wie gaat die nieuwe studies uitvoeren? Er zijn maar weinig onderzoekers in Nederland die speuren naar overblijfselen uit de Romeinse tijd, zegt De Bruin. “En degenen die we hebben, vliegen meestal naar Italië voor onderzoek. Terwijl er in eigen land dus een vergelijkbare rijkdom te vinden is. En eigenlijk is de urgentie hier groter, want de overblijfselen bevinden zich meer in bewoond gebied. Ze liggen dicht onder het maaiveld, soms maar enkele centimeters, waardoor ze gemakkelijk beschadigd raken, bijvoorbeeld tijdens het ploegen van akkers.”
Volgens De Bruin is er een rol weggelegd voor de Universiteit Maastricht. “Met het oog op toerisme wordt er in Limburg al veel gedaan met het Romeins verleden, denk aan de wandelroutes langs de Via Belgica. Maar op wetenschappelijk vlak is er nog veel mogelijk. De stap naar gericht onderzoek is nooit gezet. Een leerstoel in Maastricht zou dan ook heel welkom zijn. Het is logisch om dat daar te doen, en niet in, zeg, Amsterdam. Het hoort bij de regio, je doet onderzoek in je eigen achtertuin – en ook vlak over de grens, in Duitsland en België, is er veel te vinden.”
Daarbij hoeft er niet direct ‘klassiek archeologisch’ met graafmachines en scheppen in de weer gegaan te worden. Ook – of misschien wel juist – met expertise die al aanwezig is, bijvoorbeeld aan de Faculty of Science and Engineering, kan er al veel gebeuren, meent De Bruin. Bijvoorbeeld op het gebied van data science. “Met drone- en satellietbeelden kun je bijvoorbeeld villa’s ontdekken in weilanden. Het gras boven de muren droogt namelijk eerder uit en groeit bij nat weer minder snel, omdat de wortels minder diep kunnen gaan. Bij droogte of juist veel regen levert dat kleurverschillen op. Als je dat gedurende het jaar bijhoudt kun je aardig een gebouw in kaart brengen.”
Via geofysisch onderzoek kunnen daarna meer details aan het licht komen. Daarbij stuur je elektrische stroompjes in de grond en meet je vervolgens de weerkaatsing op harde delen als muren, ovens en dakpannen. “En in de winter, na het oogsten, kun je op zoek naar omhoog geploegde scherven in het veld. Met dat aardewerk kun je de boel dateren. Soms ben je dan al zo ver dat er geen schep meer nodig is. Je kunt dan al hele reconstructies maken. Dat is een waanzinnig studentenproject.” Of meerdere projecten, eigenlijk. “Er is zoveel te vinden, je kunt er nog decennia mee doorgaan.”