Voor Nysten begon het balletje te rollen door de spraakmakende zaak van klimaatactiegroep Stichting Urgenda (samen met bijna 900 burgers) tegen de Nederlandse staat. Volgens Urgenda zou die laatste onrechtmatig handelen door geen adequaat klimaatbeleid te voeren. Daarin kreeg het tot bij de hoogste rechter gelijk. In december 2019 besliste de Hoge Raad dat de Nederlandse staat vóór eind 2020 de uitstoot met broeikasgassen met ten minste 25 procent ten opzichte van 1990 moest verminderen.
“Dit was zeker niet de eerste of meest interessante klimaatrechtszaak, maar wel de eerste die heel veel media-aandacht kreeg”, vertelt Nysten, die sinds 2019 bij de Duitse stichting Umweltenergierecht wetgeving rondom energie en klimaat onderzoekt. “Collega’s stelden me constant vragen over die zaak, omdat ik het Nederlandse recht goed ken.” Dat had ze zo’n vijftien jaar geleden immers gestudeerd aan de Universiteit Maastricht. “Door al die vragen wilde ik alles over klimaatrechtszaken weten. Ik dacht: hierop moet ik promoveren.” Dat lukte: afgelopen dinsdag was ze, als buitenpromovendus, terug in Maastricht om haar proefschrift te verdedigen.
Schop onder de kont
Haar voornaamste onderzoeksvraag: wat mogen we wel en niet van zulke zaken verwachten? Waar voorstanders het zien als een ideaal instrument om bestuurders en bedrijven een schop onder de kont te geven, menen tegenstanders dat rechters hun boekje te buiten gaan als ze de overheid de les lezen: het is immers aan de politiek om beleid te maken. “Er zijn veel sterke meningen, ook binnen de academische wereld, maar ik wilde er graag neutraal naar kijken. Rechtbanken hebben de macht om wetten te interpreteren. Hoe ver mogen ze daarin gaan, wat is de grens?” Om dat te achterhalen dook Nysten in de literatuur en bestudeerde zaken van over de hele wereld.
Daaruit concludeerde ze dat er zeker ruimte is voor interpretatie in wetgeving. “Neem een civielrechtelijke regel die stelt dat je anderen geen schade mag berokkenen. Is dat het geval als je niet genoeg doet tegen klimaatverandering en dus de schadelijke gevolgen daarvan? Daar zijn zulke algemeen geformuleerde wetten vaak niet duidelijk over.”
Niet dwingen
Oftewel: klimaatrechtszaken zijn zeker gerechtvaardigd. Maar slaagde men er tot nu toe ook in om daadwerkelijk iets te veranderen? “Daar is geen eenduidig antwoord op te geven. De situatie verschilt nu eenmaal te veel per land en per proces.” Nysten verdeelde zaken daarom in vier categorieën, allemaal met hun eigen kansen en tekortkomingen.
Allereerst zijn er de zaken tegen staten via bijvoorbeeld een internationaal hof of tribunaal. In zulke gevallen is de autonomie van landen een beperking, zegt Nysten. “Zo oordeelde het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties in 2022 dat Australië – dat veel broeikasgassen uitstoot – gefaald had om de inheemse bewoners van de eilanden in de Straat Torres te beschermen tegen de gevolgen van de stijgende zeespiegel. Het leverde veel enthousiaste reacties op, maar de uitspraak haalde weinig uit. Australië erkende zijn beschermingsplicht, maar weigerde vervolgens om de schade volledig te betalen. En dat kan, want het VN-comité heeft geen middelen om het land daartoe te dwingen.” Internationale instituties zullen daarom altijd een balans zoeken. “Ze willen een punt maken, maar niet zo stevig dat een staat weigert te voldoen aan de uitspraak.”
Scheiding der machten
De andere drie categorieën spelen zich op nationaal niveau af: zaken tegen de wetgevende macht, uitvoerende macht of particuliere bedrijven. In alle drie de gevallen is de mate van succes afhankelijk van de heersende ideeën over de scheiding der machten in een land, zegt Nysten. “Dat verschilt heel erg, en ook de publiek opinie speelt een grote rol. Er zijn voorbeelden uit Pakistan en India waar rechters in onze ogen misschien heel ver gingen. Maar daar hebben veel burgers geen moeite mee, omdat het vertrouwen in rechters er over het algemeen heel hoog ligt, en in de politiek laag. In de Verenigde Staten zie je tegenwoordig bijna het omgekeerde: daar vertrouwt men het hooggerechtshof iets minder en wordt dat sneller beschuldigd van het maken – en dus niet meer het interpreteren – van regels.”
Zelfs tussen Nederland en Duitsland zijn er grote verschillen, bijvoorbeeld als het gaat om zaken rondom wetgeving. “In Duitsland is er een constitutioneel hof dat de grondwettigheid van wetten toetst, en het is vrij normaal dat burgers daar naartoe stappen. Nederland heeft zoiets niet. Daarom verschilde de Urgenda-zaak ook zo van zaken in Duitsland.”
Shell
Al ziet Nysten in zulke zaken tegen de staat wel meer potentie dan in zaken tegen bedrijven, zoals de recente zaak van Milieudefensie tegen Shell. “Omdat het toch een zijweg is. Je kunt er niet volledig op vertrouwen. Politici kunnen gaan denken ‘Ho eens, wij bepalen wat bedrijven wel en niet mogen’ en de wetten aanpassen.” Desondanks kunnen bedrijven er wel rekening mee gaan houden. “Zo’n zaak duurt jaren en er zit een financieel risico aan. Er kan een punt komen waarop een bedrijf gaat denken: laten we onze vingers er maar niet meer aan branden.”
Oftewel: rechtszaken zijn niet de “magische oplossing” voor het tegengaan van klimaatopwarming, besluit Nysten. “Ze vormen maar een stukje in de grote puzzel. Uiteindelijk gaat het om samenwerken. Dat geldt politici, beleidsmakers en bedrijven, maar ook de bevolking.”