Haar promotieonderzoek richt zich op eerstejaars studenten, die volgens Steenhuis regelmatig sociale angst ervaren. “Je begint aan een nieuw leven in een andere stad, met andere vrienden. Daardoor kom je in veel nieuwe sociale situaties terecht waarin je een goede eerste indruk wilt maken en dat is spannend.”
Brede blik
In sommige gevallen zijn mensen zo bang om negatief beoordeeld te worden door anderen, dat het hun dagelijks leven beïnvloedt. Zij ontwikkelen een sociale angststoornis, iets wat bij 4,7 procent van de Nederlandse jongeren tussen de 18-24 jaar voorkomt. Steenhuis kijkt nadrukkelijk breder dan dat, iets wat nog niet vaak is gedaan. “Meestal richt onderzoek zich op patiënten. Ik wil juist weten hoe mensen in het algemeen sociale angst ervaren, welke symptomen ze hebben, met welke andere factoren dat samenhangt en hoe de angst fluctueert, binnen iemand en tussen mensen.”
Deelnemers aan haar onderzoek – ze heeft er al honderd, maar zou dat aantal graag verdubbelen – vullen drie weken lang iedere dag meerdere online vragenlijsten in. Die gaan over de sociale situaties waarin ze op het moment zitten (hoeveel mensen zijn er aanwezig, hoe goed kennen ze die al) en hoe ze die ervaren. Daarnaast vraagt Steenhuis hen hoe ze zich verder voelen. “Zijn ze bijvoorbeeld moe, verdrietig, boos? Voelen ze zich goed over zichzelf of juist onzeker?” Met al die data hoopt ze verbanden te kunnen gaan leggen en erachter te komen hoe sociale angst in elkaar steekt.
Nieuw model
Steenhuis doet haar onderzoek in het kader van het zwaartekrachtconsortium dat onder leiding van prof. Anita Jansen een nieuw model van psychische stoornissen test. “Nu diagnosticeren we mensen aan de hand van de DSM-5, waarin staat beschreven welke symptomen bij welke stoornis horen.” De behandeling is vervolgens gebaseerd op de diagnose. Maar klachten houden zich niet altijd aan zo’n lijstje. Iemand met anorexia kan zich ook somber voelen en iemand met een depressie kan angstaanvallen hebben. In het nieuwe model gaat het om hoe die symptomen met elkaar samenhangen en of het beter is om je behandeling daarop te richten in plaats van op de diagnose.
Het duurt nog even voordat Steenhuis conclusies kan trekken, maar de deelnemers aan haar onderzoek komen wel al tot inzichten over zichzelf. “Wie iedere dag de vragen invult, wordt zich meer bewust van bepaalde patronen. Dat is overigens een risicofactor voor het onderzoek – bij mijn analyse moet ik er rekening mee houden dat mensen door zelfinzicht hun gedrag aanpassen – maar wel een leuke bonus voor een eerstejaars student.”