Bladerend door het dikke cursusboek dat Van de Luijtgaarden aan het begin van het interview op tafel legt, krijgt de verslaggever, zelf Limburgse nota bene, het Spaans benauwd. Pagina’s vol werkwoorden, betekenissen en luisteropdrachten. Plus heel veel klankleer, denk aan de klanken ao (waord, woord) of ae (maedje, meisje) – maar al die aandacht daarvoor is zo gek nog niet, want het Limburgs ís een klanktaal.
Wie is opgegroeid in een gezin waar aan tafel dialect werd gesproken, hoef je niets wijs te maken. Die spreekt net zo makkelijk Limburgs als Nederlands. Maar Limburgs schrijven? Dat is andere koek, daar krijg je geen les in. Wie zich, zeker als niet-Limburger, daaraan waagt, moet een steekje los hebben óf dolverliefd zijn op de taal en de provincie. Dat laatste geldt voor Van de Luijtgaarden. Maar hij geeft toe dat hij zich ooit “bijna dwangmatig” het Russisch eigen heeft gemaakt. “Iedere ochtend een halfuurtje met de hulp van een app.” Dus er zit toch ergens een klein steekje los. “Ik ben een papegaai, ik ontdek graag nieuwe talen. Als ik Chinees hoor, bijvoorbeeld op televisie, wil ik weten wat ze bedoelen. Ik praat de woorden na, voor zover dat lukt. Dan krijg ik er meer gevoel bij.”
Schoonmoeder
Een paar jaar geleden verhuisde Van de Luijtgaarden (geboren in het Utrechtse Maarssen, zoon van Brabantse ouders en opgegroeid in Friesland) van Zeist naar het Limburgse dorp Geleen. In contact met de buren, bakker, slager, klusjeslui, noem maar op, wilde hij zich de taal eigen maken. De beginnerscursus Leef Limburgs, ’t Smaalste Stökske, verwijzend naar het dorp Echt in het smalste gedeelte van de provincie, waar hij afgelopen najaar acht lessen volgde, heeft daarbij enorm geholpen, zegt hij. Inmiddels zijn er ook in onder andere Heerlen en Maastricht cursussen ‘Limburgs als tweede taal’ gestart.
“Het is een traditionele – klassikaal, woordjes oplezen, betekenissen raden – maar erg knappe lesmethode, de begeleiding is heel professioneel. Daarnaast is er aandacht voor de regionale cultuur, literatuur en geschiedenis.” Niemand minder dan gouverneur Emile Roemer ging hem voor. En hoewel het lesmateriaal is toegespitst op de taal die in het ‘cursusgebied’ wordt gesproken, komen er ook genoeg andere dialecten aan bod. Hét Limburgs bestaat namelijk niet. In Venlo spreken ze anders dan in Kerkrade, Maastricht, Weert of Echt. “Maar het is, uitzonderingen daargelaten, meestal wel te verstaan, daar heb ik nooit zoveel moeite mee gehad, eigenlijk is het Nederlands met een accent.” Daarna, poëtischer: “Een taal van het hart”.
Toch kon een aantal Randstedelingen, vooral Amsterdammers die samen met hem aan de cursus begonnen, er geen chocola van maken. Luisteren was al een probleem, laat staan spreken of schrijven. Van de dertig deelnemers bleven er zo’n twintig over, incluis “dames die door de Limburgse schoonmoeder waren gestuurd”.
Glasvezel
Wie vermoedt dat dit interview in het Limburgs plaatsvindt, heeft het mis. De verslaggever en Van de Luijtgaarden kennen elkaar al langer en spreken áltijd Nederlands met elkaar. Switchen blijkt onmogelijk, voelt raar. “Limburgse collega’s en vrienden kunnen die draai ook niet maken. Ze vinden het daarbij bijna onnozel klinken als ik Limburgs praat. ‘Je klinkt als mijnheer pastoor’, roepen ze dan.” Tja, met wie kan hij dan wel oefenen? Zijn partner komt van boven de rivieren; in huize Van de Luijtgaarden lukt het dus ook niet. Bij de bakker in Geleen dan maar, hoewel ze daar ook meteen in de gaten hebben dat hij “neet van hie” is.
Eric van de Luijtgaarden, foto eigen archief
Regelmatig krijgt hij van mensen van buiten de provincie de vraag wanneer hij Limburg weer gedag zegt. Dat Randstedelingen de zuidelijkste provincie nog steeds als ‘achtergesteld aanhangsel’ zien – vooruit, je wil er best een weekendje naartoe om te fietsen of te shoppen – irriteert hem mateloos. “Mensen grappen dat ze hier de hele dag vast en zeker vlaai eten, vragen zich af hoe ik de bevolking überhaupt kan verstaan. Zit ik met collega’s uit het westen in een Teams-vergadering, hapert er iets aan mijn internet en roept er een: ‘Jullie hebben daar natuurlijk nog geen glasvezel’.”
Tegelijkertijd hoopt hij dat Limburgers het Calimero-complex van zich afschudden, het gevoel dat ze 'minder' zijn en er niet toe doen. “Dit is dé communicatieprovincie van Nederland. Hollanders zijn direct, iets waarvan men niet alleen hier, maar ook in de rest van de wereld schrikt. Ja is ja, nee is nee, en dat met hoog volume. Limburgers praten zachter, vriendelijker. Sommige callcenters in de Randstad nemen hen graag in dienst voor lastige kwesties. Het werkt de-escalerend.” Leer daarom niet op de Zuidas internationaal zakendoen, betoogt hij, “maar hier, want zoals het hier gaat, eerst vrienden maken en dan zaken, zo gaat het in de rest van de wereld ook”.
Europese status
De Provincie Limburg wil dat het Limburgs in 2030 een hogere Europese status krijgt. Momenteel valt de taal onder deel II van het zogeheten Europees Handvest voor minderheidstalen. Het Fries daarentegen heeft de status van deel III waardoor het ook in het openbaar bestuur, rechtbank en op scholen gebruikt kan worden. Dat laatste is dus ook het streven van Limburg. Maar voordat er een aanvraag naar Brussel kan, zal er aan allerlei verplichtingen moeten worden voldaan. Denk aan dialectonderwijs op basisscholen of lessen Limburgse cultuur in het middelbaar onderwijs.
De hogere status zou geweldig zijn, zegt Van de Luijtgaarden. “Het kan de lokale trots een enorme impuls geven.” Hij is zijdelings bij de aanvraag betrokken, specifiek als het gaat om juridische kwesties (zoals auteursrecht) rondom de lesmethode Leef Limburgs die hij zelf heeft gevolgd. Het zou in de toekomst misschien wel dé erkende methode voor Limburgs als tweede taal kunnen worden. Dan heeft Van de Luijtgaarden dat maar mooi op zijn cv staan.
Eric van de Luijtgaarden was ook te gast in onze podcast, luister 'm hier
Taalcursussen via Hoes veur ’t Limburgs (samenwerkende Limburgse taalorganisaties)