Op de basisschool ontstond al het plan: naar het stedelijk gymnasium, daarna geschiedenis studeren en dan “iets met lesgeven” net zoals zijn opa en vader, vertelde Van den Wijngaard tien jaar geleden aan Observant. Zit die passie er na 22 jaar bij de UM – eerst bij het University College Maastricht (UCM), later bij het Edlab, het universiteitscentrum voor onderwijs en leren – nog in? “Het doorgeven van kennis, een rol spelen in het proces van leren, dat vind ik nog steeds heel mooi. Niets beters dan dat moment waarop je naar je studenten kijkt en denkt: ‘Ze beginnen het te snappen, en leuker nog: interessant te vinden’.”
Keuzebegeleiding
Het UCM liep nog geen jaar toen Van den Wijngaard in 2003 naar Maastricht kwam. Niet zomaar een opleiding, maar een liberal arts college, waar studenten naar Amerikaans voorbeeld zélf hun curriculum konden samenstellen. “Als je studenten zulke belangrijke keuzes laat maken, moet je hen daar ook in begeleiden. Wat vinden ze echt interessant? Waar zijn ze goed in? Wat moeten ze kunnen en weten om bepaalde vakken te kunnen volgen?” Academic advising was geboren.
Al snel komt Van den Wijngaard tot de conclusie dat deze gesprekken voor alle studenten nuttig zouden zijn, niet alleen voor UCM’ers. “Even een stap terugzetten, om te reflecteren, is deel van het leerproces. Een persoonlijk moment tussen docent en student met als centrale vraag: ‘Hoe gaat het met de studie, met mij als student?’ Het zorgt er ook voor dat studenten zich minder een nummer voelen.”
Grip op de zaak
Inmiddels hebben inderdaad de meeste UM-studenten een paar keer per jaar een adviesgesprek, één-op-één of in een groep. “Dat ligt zeker niet alleen aan mij hoor, het was een samenloop van ontwikkelingen. Veel studenten voelen zich overweldigd door alles wat er van hen verwacht wordt. Door het als academic advisor over het studeren te hebben, bijvoorbeeld door te vragen waar ze goed in zijn, maar ook waarom het ze boeit, help je ze om meer grip op de zaak te krijgen. Ze komen erachter ‘dit is mijn ding’, dat geeft je een basis om voor altijd op terug te vallen, ook als de wereld razendsnel verandert. Het geeft een gevoel van ownership. Daarvoor hoeft mentaal welzijn (waar tegenwoordig veel aandacht voor is, van een groeiend aantal studentenpsychologen en weerbaarheidstrainingen tot stickers op wc-deuren met de vraag ‘are you okay’, red.) niet de insteek van ieder gesprek te zijn.”
Een academische mentor is ook iets heel anders dan een studentenpsycholoog, zegt Van den Wijngaard. “Ik denk dat het een rol is waar veel docenten zich meer op hun gemak bij voelen: advising as teaching. Het speelt in op hun kracht. Juist daardoor durft een student zich ook kwetsbaar op te stellen en te zeggen: ‘Eigenlijk baal ik gewoon heel erg, want mijn ouders gaan uit elkaar’.”
Tastbaar verhaal
Iets anders waar Van den Wijngaard om geroemd wordt in het juryrapport: hoe hij de communicatie over probleemgestuurd onderwijs (pgo) hielp verbeteren. “PGO is natuurlijk de grote kracht van deze universiteit, maar we merkten dat als we dat probeerden uit te leggen, we vaak in vaktermen verzandden. Daar kan een 17-jarige studiekiezer niet zo veel mee. We wilden er een tastbaarder verhaal van maken.”
Samen met anderen vroeg Van den Wijngaard docenten om te vertellen waar pgo om draait, zonder de zevensprong of de voordiscussie erbij te halen. Tijdens die gesprekken komen er termen als ‘ontdekking’, ‘betekenisvol’ en ‘met elkaar’ voorbij. “Aan de hand daarvan hebben we een verhaallijn samengesteld, waarmee we uitleggen wat je gaat tegenkomen. Dat je bijvoorbeeld zelf een grote rol in je studie speelt, maar dat dat niet betekent dat docenten geen kennis overdragen. Alleen niet via een klassiek college.”
De bel
Tot slot, zijn voor UCM’ers bekendste bijdrage aan de universiteit: het UCM-lied Sweet UCM. Het wordt bij iedere afstudeerceremonie gespeeld. Van den Wijngaard lacht. “Ik zat een keer in de auto, hoorde een lied op de radio en toen rolde de tekst er zo uit. De Zwingelput, waar UCM zit, was ooit een klooster. Op de binnenplaats hangt een bel, die niet meer werkt. Het lied gaat erover dat als die bel ooit luidt, we allemaal meteen zullen terugkeren naar UCM.”
Groepsgevoel, bouwen aan een gemeenschap – het is belangrijk zegt hij. “Wanneer je op elkaar kunt bouwen, samen aan iets werkt, dan wordt het beter. Je gaat van individuele belangen naar gedeelde passie. Ik zie dat bijvoorbeeld bij de Education Days, waar mensen van verschillende faculteiten ideeën uitwisselen over onderwijs. Iedereen gaat daar energiek en geïnspireerd weg.”