Onderwijsminister Eppo Bruins wil dat instellingen vanaf 2026 geen publieke middelen meer gebruiken voor wat hij als commerciële diensten beschouwt. Het gaat om bijvoorbeeld sportfaciliteiten, kantines en soms zelfs theaters waar voor studenten en medewerkers een lager tarief geldt dan voor buitenstaanders.
Volgens de UM gebeurt dat omdat zulke voorzieningen “essentieel zijn voor het welzijn, de ontwikkeling en het succes van studenten, net als goede huisvesting”. Bruins ziet ze echter als commerciële activiteiten waarvoor een marktconforme prijs betaald moet worden. Dat zou voor bijvoorbeeld de sportfaciliteiten van de universiteit grote gevolgen hebben. Zo kost een all-in-one abonnement bij UM Sport momenteel 25 euro per maand voor een student, terwijl buitenstaanders – die sinds enkele jaren ook toegelaten worden – meer dan het dubbele betalen: 54,50 euro.
Tarieven verhogen
“Onze inzet is helder: deze voorzieningen móéten als publieke taak erkend worden, in het belang van onze studenten en de bredere samenleving”, aldus de woordvoerder van de UM. “Als deze lijn wordt doorgezet, dreigt een situatie waarin we gedwongen worden om tarieven te verhogen of – in het uiterste geval – voorzieningen te schrappen. Dat is voor ons onacceptabel.”
Studieklimaat
Daarin staat Maastricht niet alleen: universiteitenvereniging UNL is het niet eens met de nieuwe uitleg van de minister en verwijst naar eerdere beleidsbrieven. Zo schreef de toenmalige VVD-staatssecretaris (en latere premier) Mark Rutte in 2005 dat het aanbieden van goedkope voorzieningen voor studenten is toegestaan “indien dit een functie vervult bij het tot stand brengen van sociale binding en een goed studieklimaat en langs die weg op positieve wijze het studierendement bevordert”.
Samen met andere universiteiten is de UM een lobby gestart richting Tweede Kamer, ook voeren de instellingen gesprekken met het ministerie van OCW.