Vorige week kreeg ik een lesje over macht. Vier gebeurtenissen, die ogenschijnlijk los van elkaar staan, maar samen een onmiskenbaar patroon vormen.
Eerst was daar het rapport van de KNAW: Nederlandse wetenschappers hebben steeds minder vrijheid om zelf hun onderzoeksvragen te kiezen. Vervolgens de lezing van de Hongaarse historica Andrea Pető bij FASoS over de opkomende antiliberale politiek. En ten slotte de rectorverkiezingen aan mijn alma mater in Leuven (waar overigens – voor het eerst! – een vrouw de functie zal bekleden). O ja, en ik moest mijn ‘Solver’-normuren invullen voor het volgend academisch jaar, dat spreadsheet-achtige monster van FASoS waarin onderzoek en onderwijs worden teruggebracht tot optelbare punten.
Al deze gebeurtenissen gaan over de vraag: wie bepaalt wat waardevol werk is aan de universiteit? In Nederland is dat antwoord steeds vaker: managers, systemen, commissies. Niet de gemeenschap van onderzoekers en docenten zelf. En de grootste troef in die machtsspelletjes is transparantie. Onderzoeksvoorstellen moeten steeds vertellen wat er uit gaat komen; onderwijsinspanningen worden gewogen in Solver-punten; op elk examenpunt moeten docenten duidelijke feedback geven.
Maar transparantie is ook een vorm van controle. Zoals Pető scherp stelde: die nette spreadsheets maken het akelig makkelijk voor autoritaire regimes om ‘ongewenste’ academische thema’s in de gaten te houden – genderstudies of onderzoek naar Palestina bijvoorbeeld.
De Amerikaanse filosoof C. Thi Nguyen suggereert een tweede gevaar. Transparantie bestrijdt corruptie, maar ondermijnt ook echte expertise. Transparantie vraagt dat we ons werk voortdurend uitleggen aan mensen die de inhoudelijke finesses niet kennen. En dus wordt onderzoek teruggebracht tot aantallen publicaties, en onderwijskwaliteit tot studentenenquêtes. Wat telt, is wat meetbaar is – niet wat waardevol is.
Maar kwaliteit wordt vaak enkel van binnenuit zichtbaar. Hoe leg je immers uit wat een goede paper is aan een student – laat staan aan een beleidsmedewerker? De kern is niet te vangen in formele criteria die door iedereen snel beoordeeld kunnen worden. Het vraagt tijd en werk.
En dan Leuven. Daar leeft het principe van academisch zelfbestuur nog – imperfect, zeker, maar fundamenteel anders dan in Nederland, waar de universiteit wordt bestuurd als een bedrijf. De universiteit door ervaringsdeskundigen, van binnenuit besturen kan dus. In plaats van transparantie van is er vertrouwen in onderwijzers en onderzoekers.
Massimiliano Simons, universitair docent techniekfilosofie (FASoS)