De computermuis hoort op het plateau en de pols mag rusten op het kussen, allemaal om RSI (repetitive strain injury) te voorkomen. Dat is een verzamelnaam voor allerlei kwalen waar eind jaren negentig zowat iedere computergebruiker last van had, ook aan deze universiteit. Vele verhalen wijdde Observant eraan; interviews met medewerkers van Cultuur- en Wetenschapsstudies – nu FASoS – die kracht in hun armen verloren, tintelingen in hun vingers voelden, pijn hadden in nek en schouder en maanden moesten herstellen. Toenmalig bedrijfsarts Ton van Attekum zag steeds meer UM-werknemers met het syndroom, tekende Observant op in 1999. Werkdruk, in combinatie met een slechte houding en langdurig dezelfde (muis) bewegingen bleken funest. Men experimenteerde met spraakherkenning en staf mocht op yogales tussen de middag. Polssteunen werden ingekocht, net als andere ergonomische apparatuur. Het lijkt allemaal te hebben geholpen; wie heeft er tegenwoordig nog RSI?
“Het woord wordt niet meer gebruikt”, beaamt Thim Derhaag, senior arbeidshygiënist aan de UM, maar in plaats daarvan is er KANS, ook een verzamelterm, voor klachten aan de arm, nek en schouder. Die komen nog behoorlijk veel voor in Nederland, blijkt uit de WAO-instroom (wet arbeidsongeschiktheid), vertelt hij. “Ze bevinden zich in de top drie.” Aan de UM lijkt het probleem veel kleiner. “Uit de verzuimcijfers leiden we af dat slechts 1 procent kampt met dit soort klachten. Dat heeft met preventie te maken: betere voorlichting, ergonomische kantoormeubelen en apparatuur, zoals een toetsenbord met een minder zwaardere aandruk.”