Kwart over zeven ‘s ochtends op het perron. Geen trein, maar wel een half uur vertraging. Ik kom dus te laat. En natuurlijk nét tijdens de eerste onderwijsbijeenkomst na de vakantie, met een nieuwe tutor. Die goede indruk kan ik wel vergeten. Op zulke momenten vraag ik me af: waarom woon ik eigenlijk niet op kamers? Uitslapen, meer vrijheid en niet halsoverkop weg moeten bij borrels om de op een na laatste trein te halen (want de laatste valt toch te vaak uit).
Maar een kamer vinden is tegenwoordig net zo onhaalbaar als een trein die wél rijdt volgens dienstregeling. En eerlijk is eerlijk, mijn treinrit van een half uurtje valt wel mee. Op kamers zou ik mama’s kookkunsten missen, en Riva en Romy die na een lange dag met kwispelende staartjes op mij af komen rennen alsof ik maanden weg ben geweest.
Eindelijk komt de trein. Op zoek naar een zitplaats wurm ik me door de menigte, struikel bijna over een koffer en voel mijn geduld slinken. Waarom kiest de NS juist vandaag voor zo’n kort treinstel? Eenmaal neergeploft denk ik aan mijn nieuwe tutor. Ik ken diegene niet, maar wel de bijbehorende reputatie. Om de schade te beperken app ik iemand uit de groep: “Kun jij doorgeven dat ik later ben?”
Ik heb duidelijk mijn dag niet, want in Maastricht wacht er nog een ander obstakel: mijn fiets zonder versnellingen. Hijgend trap ik de Sint-Servaasbrug op en bedenk dat ik de cardio voor vandaag van mijn to do-lijst kan afstrepen. Ruim twintig minuten te laat loop ik zo nonchalant mogelijk het lokaal in. Nog voordat ik een plekje heb gevonden, sta ik oog in oog met de tutor die bedenkelijk kijkt: “Stel je maar meteen even voor, jij bent de laatste.”
Straks weer naar huis, naar Riva en Romy die nooit moeilijk doen als ik (te) laat ben. Integendeel.
Britt van Cruchten, derdejaars student rechtsgeleerdheid