Drie interfacultaire bachelors staan er op de Maastrichtse teller. De jongste, Brain Science, – een samenwerking van FPN, FHML en FSE – begon afgelopen academisch jaar. In de oudste, Global Studies, werken sinds 2020 alle zes Maastrichtse faculteiten samen. En ook het huwelijk tussen SBE en FSE genaamd Business Engineering ging in 2020 van start. Een vierde, Bestuur, Recht en Samenleving, is in de maak, zo werd onlangs bekend. Rechten trekt daar de kar, terwijl ook SBE en FASoS meedoen.
Het doel van de bachelors is studenten opleiden die problemen vanuit verschillende invalshoeken kunnen bekijken, over de grenzen van vakgebieden heen. Maar hoe gaat dat achter de schermen? Springen ook de betrokken faculteiten over hun eigen schaduw heen om deze opleidingen soepel te laten verlopen?
Ja, maar met de nodige moeite, blijkt uit gesprekken met de coördinatoren van de drie opleidingen. Want zij botsen op allerhande praktische problemen. Die zijn volgens Business Engineering ‘kwartiermaker’ (en oud-SBE-decaan) Philip Vergauwen veelal het gevolg van het feit “dat administratieve systemen van faculteiten niet op elkaar zijn afgestemd”.
"Tutoren werven is een issue. Het verloopt in alle deelnemende faculteiten op een andere manier"
Dat kunnen Michaella Vanore (Global Studies) en Gunter Kenis (Brain Science) beamen. Roosters maken, de studentenadministratie, onderwijsruimtes plannen, docenten boeken, het wordt bij één deelnemende faculteit ondergebracht. Maar daarmee lopen ze niet als vanzelf geolied. “Iedere faculteit is zijn eigen koninkrijkje”, verzucht Vanore. “Voor zoiets basaals als het boeken van docenten bijvoorbeeld, hebben ze allemaal een ander systeem”, en er is niet altijd zicht op wat er in de andere faculteiten gebeurt. Het voorspelbare gevolg zijn dubbele boekingen – docenten worden op hetzelfde moment bij Global Studies én hun eigen faculteit verwacht. “Of neem mijn eigen positie: ik ben vanuit SBE gedetacheerd om hier een coördinerend team van vijf mensen te leiden. Maar formeel vallen zij onder FASoS, en heb ik op HR-vlak niets over hen te zeggen.”
Of neem het werven van tutoren. Voor Kenis is dat “nog steeds een issue. Omdat het in alle drie deelnemende faculteiten op een andere manier verloopt”. Zo werven ze op andere momenten in het jaar – Kenis werkt aan “concretere afspraken met de drie faculteiten. In het volgend academisch jaar zal het wel soepeler lopen”.
"Wij zijn afhankelijk van de goede wil die we kunnen scheppen. Dat is een hels karwei"
Een andere kopzorg zijn de normuren, de tijd die een medewerker van zijn of haar faculteit aan een bepaalde taak mag besteden. Die kan per faculteit verschillen, wat bijvoorbeeld lastig is als je mensen uit verschillende faculteiten samen een vak laat opzetten, klinkt het. Bij zowel Global Studies als Brain Science zijn daarom eigen normuren vastgesteld. Een werkbaar compromis, vindt Kenis. Maar, vult Vanore aan, wel met het onbedoelde bijeffect van concurrentie tussen de opleiding en deelnemende faculteiten. “Van een bepaalde faculteit horen we dat hun mensen liever niet voor ons werken, omdat ze vinden dat ze hier te weinig normuren krijgen. Van een andere faculteit komen ze graag omdat ze hier het dubbele aantal krijgen.”
De drie benadrukken dat ze niet willen zwartepieten. “Dit is geen kwestie van onwil bij mensen in de verschillende faculteiten. Die zijn gewoon gewend om op een bepaalde manier te werken”, zegt Vanore. “En als we met een probleem bij hen komen, doen ze erg hun best om het op te lossen. Maar dat wil dus zeggen dat er al een probleem ís, en wij afhankelijk zijn van de goede wil die we kunnen scheppen. Dat is een hels karwei.”
"De huidige structuur dwingt mensen min of meer om eerst aan het belang van hun eigen faculteit te denken"
Een karwei dat tijd kost – een beetje te veel tijd naar Vergauwens zin. “Want eigenlijk moet ik zorgen dat er ook masters komen, en meer samenwerking met de Brightlands-campussen. Maar dat sneeuwt onder doordat ik steeds bezig ben met het oplossen van akkefietjes. Ja, je proeft hier inderdaad wat frustratie. En niet alleen bij mij. De huidige structuur dwingt mensen min of meer om eerst aan het belang van hun eigen faculteit te denken.”
Hoe dat te doorbreken? De oud-decaan hoopt op een discussie over de structuur van Maastrichtse interfacultaire opleidingen. “Dat is hoog tijd, als we in de toekomst meer van dit soort opleidingen willen hebben. Waarom maak je van Business Engineering bijvoorbeeld niet een soort College, met een eigen budget, eigen mensen en een eigen dean? Net zoals het UCM, dat ook afhangt van een faculteit, maar wel een heldere structuur heeft.”
Vanore zou zo’n discussie toejuichen. “Er moet nog veel geleerd worden. Ik zou graag een interdisciplinair, interfacultair instituut hebben, dat zou de beste oplossing zijn. Maar zoiets opzetten ligt moeilijk, al helemaal gezien de bezuinigingen op het hoger onderwijs.”