Maar waarom die naam, Maffius? Tja, daar hadden de initiatiefnemers een verhaaltje bij. De ‘universiteit i.o.’ (in oprichting) te Maastricht, begon haar veroveringstocht van historisch stedelijk vastgoed aan de Tongersestraat 53, het voormalige Jezuïetenklooster daar. Het pand werd overgenomen inclusief een bibliotheek van 250 duizend banden, een tuinman en een klusjesman en volgens de redactie een wezentje dat door het leven ging als het “kwade geweten” dan wel “het kritische bewustzijn” van de Jezuïeten: Maffius. Een klein dik monnikje met een heilig aureool rond het kale koppie, dat voortaan als mascotte zijn streken op de universitaire/facultaire gemeenschap mocht botvieren.
Dat was het verhaaltje. De echte oorsprong van de naam was uiteraard prozaïscher: de nieuwe instelling was immers een medische faculteit, afgekort MF. En ja, zeg het hardop en je bent er al bijna.
Rebelse geest
In die faculteit heerste, dat moet gezegd, een rebelse geest. Niet voor niets was men nog vóór de officiële goedkeuring uit Den Haag van start gegaan met het onderwijs. Dat betekende dat de eerste docenten en studenten van het avontuurlijke soort waren, niet al te snel geïmponeerd door gezagsdragers en bereid de strijd aan te gaan waar dat nodig werd geacht. Maar hoe doe je dat? Dan heb je op zijn minst een communicatiekanaal nodig, een eigen medium, zoals elke zichzelf respecterende universiteit een eigen blad had. Maastricht, ook al waren ze nog ‘i.o.’, kon niet achterblijven, zo vonden die medewerkers. Het was wel enigszins tegen het zere been van de tamelijk autoritair aangelegde oervader van de universiteit, bestuursvoorzitter Sjeng Tans, maar tegengehouden heeft hij het niet “en ook later”, zegt Maffius-medewerker van het eerste uur Gerard Majoor, “heeft hij nooit ingegrepen, censuur is er niet geweest.”
Ex-priester
Wel werd al in het eerste jaar de nieuw aangestelde universitaire voorlichtingsfunctionaris, Joep Offermans, toegevoegd aan de redactie als “adviseur”. Zonder veel consequenties, deze ex-priester was eerder vriendelijk dan doortastend. En de redactie had er zich vermoedelijk ook weinig van aangetrokken, al was het maar, zegt Majoor, omdat een “uitlaatklep broodnodig was; iets als een faculteitsraad was er toen ook nog niet, Tans zag dat als een motie van wantrouwen”.
Heilige huisjes waren er genoeg destijds, en het grappige is: die werden vooral verdedigd tegen aanvallen van binnenuit. Want de faculteit kende een experimentele opzet en trok om die reden veel progressieve idealisten: een nieuw onderwijssysteem, nadruk op de eerstelijnsgezondheidszorg en dus niet op een volbloed academisch ziekenhuis, een horizontale organisatiestructuur met veel dwarsverbanden zodat vakgroepen, laat staan wetenschappelijke instituten, geen koninkrijkjes konden worden. En wat gebeurde er? Kijk in Randwyck, waar de wat Majoor noemt “megalomane ideeën” van destijds nu in steen zijn te bewonderen, ondanks de “best pittige stukjes” waarin hij er in Maffius tegen fulmineerde.
Satirische insteek
In 1980 was het gedaan met het huisorgaan, de universiteit werd groter, het schoolkrantstadium was voorbij, de satirische insteek had zijn beste tijd ook gehad, de Rijksuniversiteit Limburg verdiende een beter en vooral journalistiek professioneler blad. En dat leest u nu nog steeds.