De eerste plannen voor een University College dateren van eind vorige eeuw. Rector Arie Nieuwenhuijzen Kruseman en founding fathers Louis Boon en Louk de la Rive Box zagen een liberal arts opleiding voor zich - Utrecht had de primeur in 1998 - waar hardwerkende studenten hun eigen studieprogramma samenstellen, na de onderwijsgroep elkaar ontmoeten in een common room én samen met hun docenten een intellectuele gemeenschap vormen. Echte academici zouden het worden.
Uit eigen zak
Hoewel de decanen in eerste instantie enthousiast waren (“wie kan daar vanuit intellectueel standpunt tegen zijn?”), veranderde dat rap toen bleek dat zij het UCM niet alleen van hun beste docenten moesten voorzien, maar ook grotendeels moesten financieren: tussen de vijf en zeven ton per faculteit. Bij cultuur- en maatschappijwetenschappen speelde er nog iets anders mee: het University College, zo liet decaan Tummers weten, zou potentiële cultuur- en wetenschapsstudies-studenten wegkapen.
Studentenvakbond NSEM vond het niet eerlijk dat straks alleen de UCM-student een brede opleiding zou krijgen. Het bestaande onderwijs is “verschraald”, schreven ze in een opiniestuk in Observant, de hele universiteit zou een College moeten zijn.
In de tussentijd bleek het animo voor het UCM in oprichting tijdens de Open Dagen in het najaar van 2001 hoopgevend: 84 studiekiezers. Men mikte op honderd in het eerste jaar, oplopend naar maximaal 150 in de jaren erna. Maar die moesten zich vanaf 1 december 2001 kunnen inschrijven, terwijl er twee weken van tevoren nog steeds geen groen licht van U-raad en decanen was.
Die laatsten gingen als eerste overstag toen bleek dat ze toch niet in de buidel hoefden te tasten. Het UCM zou de eerste jaren betaald worden uit een centrale pot die bedoeld was om extra onderzoek voor de faculteiten te financieren. College van bestuurslid Anne Flierman legde het eenvoudig uit: “Niemand levert in, ze krijgen alleen wat minder.”
Laatste hobbel
De laatste hobbel was de universiteitsraad. De rector zette de tegenstribbelende leden in een chaotische novembervergadering maximaal onder druk: zou men niet instemmen dan ging het hele voorstel van tafel. En dat was dan de schuld van de raad, klonk tussen de regels door. Na drie schorsingen kwam er een schoorvoetend ‘ja’ voor de start van het UCM. Over zaken als financiering, medezeggenschap en hoogte van het collegegeld zou de U-raad in december beslissen.
Vlak voor kerst geeft de raad zijn zegen, al is er gemor over de inzet van het onderzoeksgeld en is men mordicus tegen een verhoogd collegegeld (dat was ingecalculeerd om de begroting vanaf 2005 rond te krijgen). Dat bevordert immers de ongelijkheid en remt de toegankelijkheid van het onderwijs, vond men.
'Preventief ruimingsbeleid'
In september 2002 beginnen 75 eerstejaars aan de nieuwe studie in hun gebouw aan de Bouillonstraat 8-10. De universiteitsraad blijft in die eerste jaren kritisch. Zo is men tegen het bindend studieadvies, iets wat dean Louis Boon, die tot ergernis van de raad spreekt van “preventief ruimingsbeleid” (dat was “humor”, zal hij later zeggen), tegen het zere been is: “De U-raad heeft tot nu toe alleen maar dwarsgelegen als het over het UCM ging.”
De populariteit is er niet minder om. De instroom loopt snel op, het UCM groeit uit het pand en verhuist naar de Zwingelput, de huidige locatie, krijgt twee Limburgse zusjes in de vorm van het Maastricht Science Programme en het University College Venlo, en haalt aan de lopende band hoge cijfers en eervolle vermeldingen in de KeuzeGids. Tot op de dag van vandaag.