Ik geef graag advies. Maar ik laat het opvolgen ervan liever aan anderen over.
Ik vertel mijn studenten welgemeend dat het oké is om fouten te maken. Dat ze hun lat niet zo hoog moeten leggen. Dat het prima is om de plank soms mis te slaan—je leert er alleen maar van. De universiteit: bij uitstek de plek om eens even lekker op je bek te gaan. Maar zelf ben ik als de dood voor fouten. Ik mág niet falen. Ik laat pas los als ik het goed vind, en goed vind ik het niet gauw.
Elk jaar weer bespreek ik met mijn mentorstudenten het probleem van procrastination—uitstelgedrag. Ik adviseer hen dat ze een grote taak in meerdere kleine taakjes moeten hakken. Dat ze niet alles op die laatste avond geritseld krijgen. Dat een deadline een deadline is. Maar zelf? Ik laat altijd alles ophopen. Alles op het laatste moment, op de valreep—of liever nog, net erna.
In mijn programmeerlessen zeg ik dat de sleutel tot succes is: “oefenen, oefenen en nog eens oefenen”. Dat het niet komt aanwaaien. Dat je hard moet werken als je een vaardigheid wilt leren. Zelf vind ik dat ik Für Elise toch gewoon moet kunnen spelen na het kijken van één YouTube-tutorialtje en een paar minuten pingelen.
Tegen “overwhelmed” collega’s—en dat zijn er nogal wat—zeg ik dat ze ‘t rustiger aan moeten doen. Dat ze niet te veel hooi op hun vork moeten nemen. Dat ze eens wat vaker nee moeten zeggen. Wanneer zei ik zelf eigenlijk voor het laatst nee tegen iets? Ha, zie hier deze column… drie keer raden hoe het mij afgaat.
Nu vroeg ik me wel af: ben ik nu een hypocriete lul? Ben ik zo’n duurzaamheidsexpert die de wereld rondvliegt voor een congresje? Of is dit misschien juist de kern van wat advies geven is: iemand anders iets wensen dat je zelf nog mist? Hoe dan ook, als ik u één advies mag geven: wees net zo mild voor uzelf als u voor anderen bent.
Fijne feestdagen!
Thomas Frissen, universitair docent Digital Technology and Society (FASoS)